Niks geen votiefdepot

Het waren Volsken, zegt Marijke Gnade over de inwoners van oude Satricum.

Welnee, zegt Jelle Bouma, het waren Latijnen. Een interpretatiestrijd tussen Amsterdam en Groningen.

Een vijfentwintighonderd jaar oud grafveld en een votiefdepot zijn de inzet geworden van een wetenschappelijke twist tussen Amsterdamse en Groningse archeologen. De vraag is: wie waren de bewoners van het Italiaanse Satricum in de vijfde eeuw voor Christus? Was het een kleine Latijnse gemeenschap of het archeologisch gezien verder vrijwel onzichtbare volk der Volsken? Een andere kwestie is: hoe kunnen twee ervaren opgravers totaal verschillend denken over de stratigrafie van een vindplaats?

Satricum heet tegenwoordig Borgo Le Ferriere en ligt in Latium, ongeveer zestig kilometer ten zuiden van Rome. De antieke geschiedenis van de plaats begon bijna drieduizend jaar geleden. Eind negende, begin achtste eeuw vestigden Latijnen zich in het gebied en bouwden een huttendorp. Het dorp ontwikkelde zich tot een rijke stad, die in de zesde eeuw vooral bekendheid genoot vanwege een aan Mater Matuta gewijde tempel op de akropolis. Een eeuw later was heel Latium het toneel van een crisis. De Romeinen, die hun heerschappij voorbij Latium probeerden uit te breiden, kregen te maken met de Volsken. Volgens Livius, die vierhonderd jaar later de geschiedenis van Rome optekende, waren zij een woest bergvolk uit de Apennijnen, dat de vlakten introk en een geduchte tegenstander bleek te zijn.

Coriolanus

Niet voor niets stamt uit die tijd de legende van Coriolanus, de Romeinse patriciër die zich na verbanning uit Rome bij de Volsken aansloot. Volgens de overlevering behaalde hij voor de Volsken verscheidene overwinningen, bezette hij delen van Latium, waaronder Satricum, maar zag hij na een smeekbede van zijn moeder af van de inname van Rome. Daarop lieten de Volskische leiders hem vermoorden. Of Coriolanus nu wel of niet heeft bestaan, vast staat dat de Romeinen pas anderhalve eeuw later de Volsken uit Latium wisten te verdrijven, waarna het volk uit beeld is verdwenen.

Zoals zoveel volkeren ten tijde van de vroegste geschiedenis van Rome hebben de Volsken niet of nauwelijks tastbare sporen nagelaten. ``Wij hebben wel sporen van hen gevonden'', zegt Marijke Gnade, leidster van de opgravingen in Satricum van de Universiteit van Amsterdam. Ze is eind vorig jaar gepromoveerd op het proefschrift Satricum in the Post-Archaic period. Ondertitel: a case study of the interpretation of archaeological remains as indicator of ethno-cultural identity.

In 1980, drie jaar na het begin van de Nederlandse opgravingen, vond Gnade ten zuidwesten van de akropolis een grafveld met meer dan tweehonderd graven. Het eerste en tot nu toe enige vijfde eeuwse grafveld in heel Latium. Later kwamen daar nog ongeveer 35 graven uit dezelfde tijd op de akropolis bij en een vijftal ten noorden van een in 1997 opgegraven weg.

De graven zijn van Volsken, die Satricum anderhalve eeuw bezet en bewoond hebben, is Gnade's conclusie. `Hoe herken ik een Volsk?' is de vraag waarvoor ze zich zag gesteld. Niet aan zijn botten, want uit het onderzoek van de in de graven gevonden beenderen valt niet meer af te leiden dan dat in het malariagebied dat Satricum was de gemiddelde levensverwachting dertig tot vijfendertig jaar was, dat de mannen met hun gemiddelde lengte van 1,70 meter uitzonderlijk groot waren voor die tijd, en dat de begravenen geen door ziekten veroorzaakte botafwijkingen kenden. Ook hebben de bewoners een gezond gemengd dieet gehad. Onomstotelijke bewijzen ontbreken voor de `Volsk-heid', geeft Gnade toe. ``Ik moet het hebben van indirecte bewijzen.'' Maar daarvan heeft ze dan ook genoeg, meent ze. Neem de graven in de stad: ``Dat doet geen enkele Latijn, zijn doden begraven binnen de stadsgrenzen en zeker niet op de akropolis, aan de voet van het belangrijkste heiligdom.'' Verder bevatten de graven enkele voorbeelden van niet-Latijns aardewerk. De enige bruikbare parallellen zijn gevonden in graven in Frosinone, een stad in de Lepini-bergen in het zuiden van Latium, die volgens de bronnen op de route lag die de Apennijnen met de kustvlakten verbond. ``Helaas zijn in Frosinone en andere plaatsen als Sora en Arpino, die geleerden traditioneel met de Volsken verbinden, nog geen systematische opgravingen gedaan.''

Nog iets dat volgens Gnade mogelijk typisch Volskisch is: in veel graven lagen grafgiften die van lood zijn gemaakt. De opvallendste grafgift is een miniatuurbijltje van amper zes centimeter met een inscriptie. ``De Italiaanse professor Giovanni Colonna heeft de inscriptie ontcijferd. Volgens hem (en anderen), hoort de tekst tot de zogenoemde oskisch-umbrische taalgroep, en geeft de inscriptie de titel van een functionaris, een aedilis.'' Tot slot is het volgens Gnade geen toeval dat rond 495 voor Christus de stadsnaam Suessa Pometia uit de bronnen verdwijnt en de naam Satricum opduikt als een van de eerste steden die de Volsken hebben ingenomen. ``De Volsken hebben de stad na inname een andere naam gegeven. In de bronnen komt nog een ander Satricum voor, dat in de vallei van de Liris ligt, het mogelijk land van herkomst van de Volsken. Het hergebruik van de naam Satricum zou kunnen duiden op een bewuste verbinding met hun thuisland.''

Crisisperiode

Archeologen van de Rijksuniversiteit Groningen, die sinds 1981 ook in Satricum graven, denken heel anders over de vijfde eeuwse bewoners van Satricum. De stad was volgens hen tijdens de crisisperiode grotendeels verlaten, op een kleine Latijnse gemeenschap na. Vandaar de graven binnen wat eens de stadsgrenzen waren geweest. Die kleine groep verzorgde een cultusplaats bij de in de vijfde eeuw verwoeste tempel van Mater Matuta – een cultusplaats die door een weg gescheiden bleef van de vijfde eeuwse graven op de akropolis. Honderdvijftig jaar lang hebben Latijnen uit de omgeving er offers gebracht. Die bestonden uit potjes gevuld met resten van schaap, varken en rund, die keurig werden bijgezet in een kuil en afgeschermd door tufstenen en architectonische resten van de verwoeste tempel, zegt Jelle Bouma, die drie jaar geleden op het votiefdepot is gepromoveerd. ``De potjes zijn bewust en met zorg in de kuil geplaatst. Dat blijkt uit de goed te onderscheiden vondstlagen, de ruimten tussen wat wij assemblages van giften noemen en het feit dat we zelfs heel fijn aardewerk vrijwel intact hebben teruggevonden.'' De offerwijze en het soort aardewerk, die elders in Latium ook voorkomen, en de samenstelling van het offer, dat doet denken aan een suovetaurilia, het beroemde staatsoffer van de Romeinen, rechtvaardigen volgens Bouma de Groningse conclusie dat Volsken de stad nooit hebben bezet. ``We zeggen niet dat ze er helemaal niet zijn geweest, maar ze hebben niet echt in de stad gewoond.''

Gnade kwam na uitvoerige bestudering van het boek van Bouma tot andere conclusies dan de Groningse opgravers. Niks geen votiefdepot, zegt ze, we hebben hier te maken met een dump van materiaal, dat afkomstig is van het terrein van de akropolis, na de verwoesting van de tempel en de omliggende gebouwen. Het puin is samen met de inboedel en etensresten in een kuil gegooid. ``Op de akropolis zijn meer dan vijftienduizend Laat-Archaïsche architectonische resten gevonden. Ik kan me niet voorstellen dat mensen temidden van zo'n troep een ritueel offer brengen. Ten tweede bestaat het dierlijk botmateriaal voor bijna tachtig procent uit schapenbotten. Dan lijkt het me vergezocht om te spreken van een dier-offer. Tot slot lijkt de stratigrafie sterk op een dumplaag die ik bij de weg heb gevonden, maar ook op die in een naburig depot op diezelfde akropolis. In dit laatste complex zijn eveneens heel veel complete en dunwandige vaasjes aangetroffen. Maar ook dit bleek een secundaire dump te zijn.''

De Groningers zijn het niet eens met Gnade's redenering, zegt Bouma. ``Ze gaat gemakkelijk voorbij aan het feit dat per assemblage de botten afkomstig zijn van maar één schaap, rund en varken. Het percentageverschil is onder meer te verklaren uit het feit dat van de schapen vooral de stevige poten zijn geofferd en van de andere dieren vergankelijkere delen.'' Bouma en zijn collega's zijn dan ook ontstemd over Gnade's conclusie. Zeggen dat je het niet eens bent met een interpretatie van een vondst is één ding, maar twijfelen aan de archeologische observaties van de opgravers, zoals Gnade doet, vinden ze bijna ongehoord. ``Denkt u dat we het allemaal uit onze duim hebben gezogen'', riep de Groningse professor Peter Attema uit tijdens zijn oppositie bij de promotie van Gnade. Extra pikant gezien het verleden, waarin enkele jaren vanwege persoonlijke tegenstellingen tussen de twee toenmalige opgravingsleiders sprake is geweest van animositeit tussen de twee opgravingsteams.

Alles doornemen

De laatste jaren waren de verhoudingen weer enigszins genormaliseerd. Gnade was daarom niet gelukkig, toen ze na bestudering van de Groningse opgraving heel anders dacht over de stratigrafie. ``Ik weet dat archeologische observaties zelden in twijfel worden getrokken. Maar dat komt ook omdat bijna niemand zo'n opgraving na publicatie nog eens helemaal gaat doornemen. Ik heb dat wel gedaan, omdat het depot essentieel is voor de reconstructie van de vijfde eeuwse bewoningsgeschiedenis. Aangezien de Groningers hun opgraving uitgebreid hebben opgeschreven, kon ik hun werk op papier nog eens overdoen en tot andere conclusies komen.'' ``Gnade had, toen ze tot die andere conclusies kwam, naar Groningen moeten komen om al onze opgravingstekeningen te komen bekijken. Dan had ze kunnen zien dat we wel degelijk een votiefdepot met duidelijk waarneembare assemblages hebben blootgelegd'', reageert Bouma. Gnade op haar beurt: ``De officiële publicatie zou moeten voldoen, maar nodigt blijkbaar uit tot discussie.''

De onderzoekschool Archon wil om de discussie in bredere kring te voeren dit jaar een mini-congres aan de zaak wijden. ``Dat is een goed idee'', reageren Attema, Bouma en Gnade eensgezind.

    • Theo Toebosch