NATUURKUDDEN

Het goed ogende artikel van Marion de Boo dat verwijst naar een publicatie van Theo Vullink (W&O, 28 april) bevat veel nuttige en interessante gegevens, maar helaas is ook sprake van onjuiste en eenzijdige informatie.

Het is niet juist om de Oostvaardersplassen een groot natuurgebied te noemen in dit kader. Het betreft een gebied met een oppervlakte van tussen de vijf- en zesduizend hectare, waarvan minder dan de helft toegankelijk is voor de grote grazers. De rest is moeras en water.

Op geen enkele wijze is aangetoond dat in dit gebied door natuurlijke geboortebeperking een evenwicht ontstaat. De populaties vertonen slechts een zeer geringe afname in groei. De algemene verwachting is dat zonder ingrijpen in de populatiegrootte, crashes zullen ontstaan, waarbij in korte perioden grote aantallen dieren sterven. Dat kan honderdtallen betreffen, dus veel grotere aantallen dan de 71 runderen die stierven in de winter 98/99. In een dergelijk beperkt, omheind gebied lijkt dat maatschappelijk niet aanvaardbaar.

Te spreken over jacht, geeft een verkeerde toonzetting. De discussie richt zich op getalsmatig beheren: het al dan niet regulerend optreden m.b.t. de populatiegroottes. De wijze waarop dat wordt uitgevoerd doet in dit kader niet ter zake. De beheerder, Staatsbosbeheer, zal dat ongetwijfeld goed voorbereid en met eigen vakkundig personeel uitvoeren.

Omdat de voedselsituatie bepalend is en deze in hoge mate wordt beïnvloed door weersomstandigheden, is het bijzonder moeilijk om criteria te vinden waarop beslist kan worden wanneer ingegrepen moet worden om een crash te voorkomen. Met de huidige zachte winters bijvoorbeeld zijn crashes voorlopig uitgebleven; dat beschouw ik overigens alleen als een vorm van uitstel. Een tijdig besluit tot stabilisering van de aantallen door actief populatiebeheer verdient naar mijn mening aanbeveling.