Mijlpaal

Vorige week liep een man met een bos bloemen van de Balie naar het Leidseplein. Deze bloemen waren hem even tevoren als blijk van waardering voor het een of ander aangeboden. Ze stonden hem tegen. Ze waren onverenigbaar met zijn humeur. Als hij zich er niet terstond van ontdeed, zouden ze hem de hele thuisreis tot last zijn.

Zonder zich om de mogelijke implicaties van deze daad te bekommeren, legde hij de bloemen op de stoep voor een bankgebouw. Zo ontdekte hij dat er een schoenveter was losgeraakt. Hij knielde neer, strikte zijn veter, kwam overeind en veegde zijn broek af.

Maar in Amsterdam blijft niets onopgemerkt.

Voorbijgangers waren blijven staan. Ze zagen die man naar de tramhalte lopen en keken elkaar vragend aan. Heb jij wat in de krant gelezen? Nee, niemand had wat in de krant gelezen. Heb jij wat op de televisie gezien? Nee, niemand had wat op de televisie gezien. Toch, daar waren ze het gauw over eens, moest hier iets gebeurd zijn.

Dat was op dinsdagavond. Het was betrekkelijk warm buiten. De lente hing in de lucht en het duurde lang eer het stil werd op het Leidseplein. De bloemen werden al die tijd ongemoeid gelaten. Ze lagen daar even welsprekend als raadselachtig tegen de muur. Ze creëerden een sfeer van leegte en verwachting om zich heen. Ze vielen mensen op, vervulden hen met droefenis en lieten hun geen rust.

Een bos rode tulpen.

Die woensdag, bij het krieken van de dag, de eerste trams bewogen zich kreunend voort, werd er een bos bloemen bij gelegd. Het was alsof er nu een oproep door de stad ging, opeens wist iedereen wat hem te doen stond. In de loop van de ochtend groeiden deze twee bossen aan tot een berg, een zee van bloemen. De politie kwam kijken. Er werden dranghekken geplaatst.

Op vrijdag werd een stille tocht gehouden. Duizenden verzamelden zich op het Museumplein. De toespraak van burgemeester Cohen was een mijlpaal in de moeizame maar noodzakelijke strijd tegen het onbekende geweld in onze samenleving.