In strijd met de geschiedenis

Zou je kunnen spreken van een onvermijdelijke incubatietijd, pakweg veertig jaar, bij het onder ogen zien van een koloniale geschiedenis die eindigde met misdaden tegen de menselijkheid? In Frankrijk is men nu zover dat er volop commotie is ontstaan over folter en moord, door militairen en politie op bevel van het hoogste burgerlijke en militaire gezag, bedreven tijdens de Algerijnse oorlog (1954-1962). Het is de Fransen onmogelijk aan zelfonderzoek te ontkomen. Aanleiding tot de opwinding is een onlangs verschenen boek van de generaal die hoofd was van de Franse inlichtingendienst in Algiers, de Services Spéciaux. Deze hoge militair, Paul Aussaresses geeft openlijk toe dat hij leden van het Algerijnse verzet persoonlijk doodmartelde.

Maar dat was toch allang bekend? Heel Frankrijk wist dat, heel de wereld wist het. Al in 1958 publiceerde Henri Alleg het boek La Question, dat in het Nederlands verscheen onder de titel Het Verhoor. Alleg, directeur van de krant Alger Républicain, was met onder anderen de wiskundige Maurice Audin in Algiers opgepakt.

Als een van de weinige arrestanten overleefde hij de martelingen, ontsnapte naar Parijs en schreef als redacteur van het communistische dagblad l'Humanité zijn aanklacht tegen de onmenselijke terreur van het Franse leger.

Twintig jaar geleden interviewde ik de nu stokoude Alleg en ik herinner me hoe verbaasd ik was dat zo'n kwetsbaar ogende, kleine man de verschrikkingen had kunnen doorstaan die hij in La Question nauwgezet had opgetekend. Overigens was het boek in Frankrijk verboden (het verscheen in Lausanne), zoals ook andere boeken en films waren verboden en zelfs chansons, met name de beroemde Brief aan de Franse president van Boris Vian.

Inmiddels zijn, na de slachtoffers, de daders aan het woord gekomen. Voordat generaal Aussaresses zijn bekentenis in boekvorm aflegde (die hij zelf niet als bekentenis beschouwt, omdat hij geen centime spijt heeft), had vorig jaar zijn vroegere chef generaal Massu, inmiddels 92, al toegegeven dat er systematisch van overheidswege werd gefolterd en gemoord. De generaals menen dat zij met hun slagerswerk niets anders dan hun plicht deden. Toch is ook officieel Frankrijk nu eindelijk in opperste verlegenheid.

President Chirac is ,,ontsteld'' en premier Jospin ,,diep geschokt''. Maar van berechting van de schuldigen kan geen sprake zijn, bezweren zij in koor: de feiten zijn verjaard en trouwens, er is door De Gaulle en Mitterrand amnestie aan de daders verleend. Een door de Groenen en de communisten gevraagde parlementaire enquête wijzen zij ook af: historici moeten ,,de waarheid aan het licht brengen'', niet politici, zeggen ze. Waarop ex-generaal Aussaresses verklaarde dat spijt over de martelpraktijken en massmoorden ,,in strijd met de geschiedenis'' zou zijn.

Om in te lijsten is de reactie van de gaullistische fractievoorzitter in het parlement, Debré. Hij zei wat je altijd hoort als er gevraagd wordt om een afrekening met het verleden: ,,Frankrijk hoeft zich niet te verontschuldigen. Wij moeten ophouden in ons verleden te wroeten. Er is amnestie verleend en de daarbij moeten we het laten.''

Dit zijn dezelfde woorden die enkele jaren geleden in de Tweede Kamer werden gesproken toen het, in verband met het staatsbezoek van koningin Beatrix aan Jakarta, ging over Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië. Ook de opschudding daarover had, al waren de meeste feiten al uitentreure bekend, een incubatietijd nodig gehad van enkele decennia. En ook hier heette het vervolgens in alle toonaarden: laat de geschiedenis oordelen.

Het is heel goed mogelijk dat de Franse misdaden in Algerije verjaard zijn en ook dat het internationale recht er geen vat op heeft (het anti-folterverdrag stamt pas uit 1984). Interessant is het mechanisme van ontkenning (bijvoorbeeld blijkend uit het eufemistische woordgebruik: waar in Nederland sprake was van politionele acties, noemden de Franse hun koloniale oorlog in Algerije een ,,operatie ter handhaving van de orde''). Vervolgens worden de misdaden achteraf maar wel heel erg achteraf betreurd.

Degenen die ze tijdig aan de kaak stelden, Henri Alleg, Poncke Prinsen, werden gebrandmerkt als hele of halve landverraders, nog een overeenkomst tussen Frankrijk en Nederland. Vervolgens heet het: de internationale verdragen ter vervolging en bestraffing van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid zijn in ons geval niet van toepassing. Voor Frankrijk was Algerije immers een binnenlandse aangelegenheid en Frankrijk was en is een democratische rechtsstaat. Oorlogsmisdaden worden altijd door anderen gepleegd. Door de vijand.

Dit mechanisme draait ten slotte uit op een machteloos beroep op ,,de historici''. Over anderen mogen internationale tribunalen oordelen, over de eigen martel- en moordpraktijken moet de geschiedenis en mag geen rechter oordelen. Vandaar, dat de Verenigde Staten aan een internationaal strafhof de voorwaarde stellen dat nooit Amerikanen door zo'n tribunaal mogen worden berecht.

In de jaren zeventig was het begrip `selectieve verontwaardiging' gangbaar. Dit verwijt was met name gericht tegen de studentenbeweging en links: jullie bestrijden rechtse dictaturen, maar laten `linkse' dictaturen ongemoeid. Dat was in zoverre een terecht verwijt, dat links in Nederland zich meer betrokken voelde bij wat er in Chili of Vietnam gebeurde, dan wat zich in China of de Goelag afspeelde. Het verwijt kwam echter doorgaans van mensen die zelf noch tegen linkse, noch tegen rechtse terreurregimes stelling namen. Demonstraties in Nederland tegen de oorlogsmisdaden in Algerije waren eind jaren vijftig verboden en werden door de politie uit elkaar geslagen. Frankrijk was toch zeker een bondgenoot? Voldoende reden voor politici van PvdA tot en met VVD en voor alle opinieleiders om geen woord van protest te laten horen.

Waarom, heet het steeds, moeten we zo in het verleden wroeten? Zelfs in Polen, waar generaal Jaruzelski zich nu voor de rechter moet verantwoorden over een schietpartij van het Poolse leger op arbeiders in Gdansk in 1970, wordt die vraag gesteld. De voormalige dissident Adam Michnik verdedigt Jaruzelski: ,,Niet de generaal heeft geschoten, het was het systeen. Het was het systeem van de commnistische dictatuur, dat geschoten heeft.'' Dat is even waar als dat het Franse koloniale systeem in Algiers heeft gemarteld. Toch zijn de generaals en hun beulsknechten ook persoonlijk verantwoordelijk: Jaruzelksi evengoed als Massu en Aussaresses.