Homo's `genezen'

Op hetzelfde moment dat in Nederland islamitische geestelijken homoseksualiteit bleken te zien als een besmettelijke ziekte, ontvlamde onder wetenschappers in de Verenigde Staten een vergelijkbare rel: tijdens het jaarcongres van de Amerikaanse Vereniging voor de Psychiatrie (APA), vorige week in New Orleans, meldde psychiater Robert Spitzer dat sommige homo's er met veel inspanning in slagen weer heteroseksueel te worden.

``De algemene consensus is dat seksuele oriëntatie onveranderlijk is,'' citeerde de New York Times Spitzer, werkzaam aan Columbia University in New York. ``Maar het blijkt dat sommige mensen hun voorkeur wel degelijk kunnen veranderen.''

Spitzers mededelingen sloegen in de Verenigde Staten in als een bom – vooral omdat uitgerekend hij er (dertig jaar terug) voor ijverde homoseksualiteit in het APA-handboek als `ziekte' te schrappen. Nog voor de presentatie van het onderzoek namen collega's en homo-organisaties publiekelijk afstand. De steekproef was selectief, meenden zij, en bewuste of onbewuste misleiding was verre van uitgesloten.

In zijn onderzoek interviewde Spitzer, via telefoongesprekken van drie kwartier, tweehonderd `voormalige' homoseksuelen – 147 mannen en 53 vrouwen. Zij waren geselecteerd nadat zij hadden verklaard meer dan vijf jaar geleden hun voorkeur met succes te hebben afgezworen. Met vragenlijsten probeerde de psychiater te controleren of homo-erotische gedachten, gevoelens of fantasieën waren achtergebleven.

Negentig procent van de proefpersonen meldde `geen of nauwelijks' last meer te ondervinden van zulke gevoelens. Bijna twintig procent – vooral vrouwen – zei zelfs geen enkele aandrang of fantasie meer te kennen. Zestig procent had, volgens Spitzers definitie, een `goed functionerend' hetero-leven: een vaste relatie, ten minste een 7 voor de emotionele band met de partner, tenminste maandelijks bevredigende seks en tijdens die seks `zelden of nooit' homo-erotische bijgedachten. ``Deze zelfrapportages lijken grotendeels valide te zijn en niet het product van overdrijving, hersenspoeling of wishful thinking'', meende Spitzer.

Zijn conclusie oogstte bijval van streng-religieuze Amerikaanse organisaties die steeds vaker hun heil zoeken in het bepleiten van `seksuele heroriëntatie'. Maar in kringen van collega's was de kritiek buitengewoon hevig. Nog afgezien van de mogelijkheid dat geïnterviewden zichzelf en/of de onderzoekers bedrogen, meenden de critici, was ook de steekproef verre van representatief. Religie, had 93 procent van de deelnemers gezegd, was `zeer' tot `extreem' belangrijk in hun leven, en 79 procent achtte homoseksualiteit strijdig met hun overtuiging.

De kritiek werd onderstreept door een gelijktijdig gepresenteerd onderzoek van de zelfstandige psychiaters Ariel Shidlo and Michael Schroeder, beide ook uit New York. Zij interviewden 202 homo's die hadden geprobeerd hetero te worden. Drie procent van hen slaagde, 88 procent niet. De rest, 9 procent, was zelf tevreden, maar volgens de onderzoekers aseksueel of innerlijk verscheurd. ``Veel van onze proefpersonen staken vijf tot vijftien jaar van hun leven in therapieën als deze,' meldde Schroeder. ``Toen bleek dat ze niet werkten, ervoeren zij een gevoel van onmetelijk verlies.''

Spitzer beaamt geen idee te hebben hoeveel veranderingspogingen slagen. ``Ik vermoed eigenlijk dat het vrij zeldzaam is – veel zeldzamer dan de dertig procent die voorstanders van zulke therapieën claimen'', aldus de psychiater. ``Ik constateer dat sommige gemotiveerde homo's, met langdurige en hevige inspanningen, kans zien hun homoseksuele potentie te verminderen en hun heteroseksuele potentie te versterken. Maar ik zou het verschrikkelijk vinden als mijn onderzoek wordt gebruikt om gedwongen behandelingen van homo's te rechtvaardigen.''