GOUDEN LEEUWAAPJE HALVERWEGE HERSTEL DOOR HERINTRODUCTIE

Het gouden leeuwaapje, dertig jaar geleden nog één van 's werelds meest bedreigde diersoorten, heeft nu een reële kans om als soort te overleven. Daarmee toont deze kleine Zuid-Amerikaanse primaat aan dat herintroductie van dieren in het wild werkt. Van de in het wild levende exemplaren waren er niet meer dan tweehonderd over. Met de geboorte van een mannetje in het regenwoud van Brazilië, is in de afgelopen maand het aantal in het wild levende exemplaren tot duizend gestegen.

De geboorte is een mijlpaaltje voor het `Golden Lion Tamarin Conservation Project', een uitgebreid samenwerkingsverband waarvan onder meer het Wereld Natuur Fonds (WNF) deel van uitmaakt. Na het ontwikkelen van herintroductieplannen werd het gouden leeuwaapje (Leontopithecus rosalia rosalia) een van de bekendste soorten die de `ark-functie' van dierentuinen invulden. Met uitgekiende uitwisseling- en fokprogramma's benutten 140 meewerkende dierentuinen de bij dieren in gevangenschap nog aanwezige genetische variatie optimaal.

Vanaf 1984 werden vooral in bosgebieden rond boerderijen bij het Poço das Antas Biological Reserve in de staat Rio de Janeiro dieren uitgezet, waaronder later ook Nederlandse leeuwaapjes uit Apeldoorn (de Apenheul) en Emmen (het Noorder Dierenpark). Het daadwerkelijk in het wild uitzetten van dieren bood een leerschool voor herintroductie in het algemeen. Al snel bleek dat je dieren in gevangenschap niet zomaar los kunt laten. Ze hebben veel te leren, en dat geldt zeker voor primaten. De leeuwaapjes bleken het pas goed te doen bij hun terugkeer als ze eerst hadden geleerd gevarieerd voedsel te zoeken: vruchten en nectar, maar ook insecten die ze me hun lange vingers uit schors en bladeren te voorschijn horen te halen. Zelfs voor goed klimmen en springen bleek een cursus nodig. Ook bleek een `soft release' aanpak veel beter te werken dat het in een klap loslaten van dieren. Tijdelijke bijvoedering in het wild en het bieden van slaapplaatsen in boomholten verhoogden de kans op succesvolle terugkeer. Niettemin ervaarde menig ex-dierentuindier stress.

Eenmaal in contact met wilde soortgenoten loopt de integratie van de leeuwaapjes snel, en de voortplanting van de nieuwkomers – tot nu toe werden tegen de honderdvijftig dieren uitgezet – verloopt voorspoedig. Een genetisch-levensvatbaarheidsonderzoek concludeerde in 1990 dat het gouden leeuwaapje een populatie van ten minste tweeduizend exemplaren in het wild nodig heeft om op lange termijn te kunnen overleven, zonder nadelige gevolgen van inteelt. De dieren en hun beschermers zijn dus op de helft.

Het project heeft het succes mede bereikt door verplaatsing van geïsoleerde wilde dieren uit te kleine snippers resterend regenwoud naar uitgestrektere bosgebieden. Het WNF lanceert een campagne om op braakliggend land dertien groene corridors te creëren en zo veertien stukken bos met elkaar te verbinden. Hierdoor kan onder meer het aantal gouden leeuwaapjes uitgroeien tot een levensvatbare populatie.

    • Frans van der Helm