Geloven is geen zaak van alles of niets

De manier waarop, naar mijn mening, de opstanding van Jezus en de hemelvaart moet worden begrepen en waarvan ik op deze pagina op 14 april kond heb gedaan, heeft nogal wat reacties opgeleverd die ik niet onweersproken laat.

Ik geloof – met de apostel Paulus en de evangelisten – in de opstanding van Jezus. Daarmee bedoel ik vermoedelijk hetzelfde wat zij, ieder met een eigen accent, zullen hebben bedoeld: dat God zich met deze mens, die om wat hij teweegbracht ter dood was gebracht, solidair heeft verklaard, en zich voorgoed met zijn leven, met al waar hij voor stond, heeft verbonden. De weg, die hij heeft gewezen, en heel dat joodse erfgoed van Israëls geboden en diepe wijsheid dat hij belichaamde, is – dat is mijn diepste overtuiging – voor de toekomst van deze wereld en van ons eigen leven de enig begaanbare weg.

Waarin de briefschrijvers – op één na – en ik verschillen, is dat zij menen dat die opstanding van Jezus ook lichamelijk gedacht moet worden. Dat doet in feite Peter van Walsum ook, en verwerpt haar daarom. Zie zijn boek Verder met Nederland.

Nu schreef ik mijn artikel om mensen die zich in Van Walsum herkennen, uit te nodigen in te zien, dat het christelijk geloof wordt bewaard en overgedragen in verhalen, die niet zozeer een feitelijke toedracht beschrijven, maar die op een geestelijke wijze moeten worden verstaan. Het verhaal van de spijziging van vijfduizend, en daarna nog eens vierduizend man wil iets zeggen, het verhaal van zijn geboorte als een zoon van God – ik noem maar een paar voorbeelden – wil iets zeggen.

Zo moet ook het verhaal van de opstanding van Jezus niet worden gezien als een weergave van een feitelijke toedracht, maar als een getuigenis van een gebeuren dat daaràchter ligt: Gods keuze voor en definitieve verbinding met deze door mensen misverstane en verworpen gekruisigde. Dat getuigenis wordt door de verschillende bijbelse getuigen in een verschillende vorm gegoten. Die vorm zelf moeten we van zijn inhoud onderscheiden. Paulus – de eerste die over de betekenis van Jezus' leven en sterven heeft geschreven – kent bijvoorbeeld nog helemaal geen verhaal over een leeg graf, waaruit Jezus ook lichamelijk zou zijn opgestaan. Zijn voorstelling van Jezus' opstanding uit de dood spoort nog helemaal met de in zijn tijd heersende gedachte, dat de om hun geloof omgebrachte martelaren regelrecht uit de dood in de hemel – in een nieuwe gestalte – werden opgenomen.

Het woord `legende', dat door mij gebruikt werd, is ongelukkig geweest. Dat is vaak toch meer een – zij het vaak diepzinnig – van de bijbel afgeleid verhaal, dat de werkelijkheid maar zijdelings raakt. Het gaat in de bijbel echter om verhalen die een (geloofs)werkelijkheid zo adequaat mogelijk trachten weer te geven. Ik neem dat woord dus graag terug.

Mijn vraag aan de inzenders van brieven zou nu zijn: bent u bang, dat, als wij het onderscheid tussen vorm en inhoud ook maken in onze beschouwingen over de talrijke, en onderling zo verschillende getuigenissen over Gods toewending naar Jezus na zijn dood, wij dit zo centrale geloofsgegeven zouden ontkrachten en verliezen? En waarom dan? Wij kunnen ons geloof toch niet verankeren in wat bij aandachtig lezen de vorm van de boodschap blijkt te zijn?

En ook aan geestverwanten van Van Walsum zou ik willen vragen om door de verhalen van `opstanding' en `hemelvaart' heen te lezen. Waarom zou men, zoals hij vreest, op die weg op den duur weinig of niets meer overhouden? Waarom zo'n fundamentalistische benadering van `alles of niets'? Geloven is een keuze voor datgene waardoor men in de wereld van de bijbel geraakt wordt en wat als beslissend voor ons leven wordt ervaren. En mensen – dat is ook de ruimte en de rijkdom van deze tijd – maken daarin ook verschillende keuzes.

Drs. C.A. ter Linden is emeritus-predikant van de Kloosterkerk in Den Haag.