Federale weg is weer vrij voor Nederland

De kans van slagen van de Duitse plannen voor een federatieve Europese Unie is aanzienlijk, juist omdat Duitse belangen in het geding zijn. Nu de krenking van `Black Monday' voorbij is, zou Nederland zijn diensten ter beschikking moeten stellen. Maar de verantwoordelijke bewindslieden hebben het daar moeilijk mee, meent Paul Kapteyn.

Europa maakt de tongen los en doet de pennen vloeien. Dat geldt ook voor de Utrechtse historicus Arend Jan Boekestijn, die op de Opiniepagina van 11 mei een oordeel velt over de federale plannen van de Duitse bondskanselier Schröder. Die plannen gaan niet door, voorspelt Boekestijn, omdat zij het Duitse belang eenzijdig dienen, en mede daardoor voor de meeste lidstaten onaanvaardbaar zijn. Doorgaan op die weg is dus heilloos. ,,Federalisme is de snelste weg naar desintegratie''.

Heeft Boekestijn gelijk, of lijkt deze kloeke uitspraak op wat hij eerder over de Europese integratie heeft geschreven? Toen ging het over de Economische en Monetaire Unie (EMU) met haar centrale bank en munt, die er volgens Boekestijn niet zou komen. Deze vergissing kan hem niet al te zwaar worden aangerekend. Velen mèt hem waren eurosceptici, en hebben de kracht van de Europese integratie onderschat.

Voorspellen valt niet mee, zeker niet in Europese zaken waar het om samenwerking gaat tussen in principe gelijkwaardige partijen. In zo'n coöperatief verband regeert het `sur place'-beginsel. Deze aan de wielersport ontleende term geeft aan dat de partijen angstvallig op elkaar wachten, bang om te vroeg dan wel te laat van start te gaan, en geïsoleerd te raken. Deze beklemming kan doorbroken worden, òf door een dominante speler die de leiding neemt waarna de anderen volgen, òf door een gemeenschappelijke bedreiging die de meute als zodanig in beweging brengt, òf door een combinatie van beide.

Deze regel tekent het Europese integratieproces, dat in de jaren vijftig onder Amerikaanse leiding begon en de dreiging van de Koude Oorlog. De beweging stokte in de jaren zeventig, toen de Amerikaanse dominantie samen met de dreiging van het Oostblok minder werd. In de jaren tachtig versnelde het proces onder de externe, economische dreiging van met name de Oost-Aziatische regio. Die versnelling zette door dankzij opnieuw een externe factor, de desintegratie van de Sovjet-Unie, die leidde tot de vereniging van Duitsland en de verwachte uitbreiding van de Europese Unie met landen uit Midden- en Oost-Europa.

Als het Duitse initiatief is gestoeld op een externe dreiging en op een dominante partij, dan moet de kans van slagen serieus worden genomen. De huidige voorwaarden zijn daar naar. De externe dreiging of uitdaging is nog steeds het voormalige Oostblok, en de dominante partij is Duitsland zelf, dat de sterkste lidstaat van de EU is geworden en bovendien het meest met het voormalige Oostblok heeft te maken. Daarmee is het succes van de Duitse plannen nog niet zeker, maar minder onwaarschijnlijk dan Boekestijn beweert.

Het is Duitsland ernst. Eerst de lezing van minister van Buitenlandse Zaken Fischer aan de Humboldt Universiteit, die nog als een intellectuele oefening kon worden beschouwd. Toen de rede van president Rau in het Europese parlement. Die was al minder vrijblijvend. En nu dan het plan van Schröder zelf voor zijn partijgenoten. Die man is geen intellectueel, die het debat wil stimuleren. Hij is een politieke zakenman, die wat wil bereiken: de EU moet – met de federale Bondsstaat als voorbeeld – bestuurlijk worden versterkt door een eigen `executieve' met twee controlerende Kamers. Tegelijkertijd moet het terrein waarop deze `regering' autonoom is, worden uitgebreid met `justitie en politie' en ingeperkt waar het `de landbouw' en `de vrije mededinging' betreft.

Boekestijn heeft gelijk, dat dient de Duitse belangen. Maar anders dan hij denkt, is dat geen argument tegen de kansen van zo'n federatie. Integendeel, juist omdat Duitse belangen in het geding zijn, is de kans van slagen niet onaanzienlijk.

En Frankrijk dan? Dat land wil het tegendeel, schrijft Boekestijn, geen federatie en geen beperking van de landbouwsubsidies, zodat het ruzie wordt en de Duitse ernst de integratie zal bedreigen.

Maar ook die redenering is niet sterk. Ruzie is er altijd, en de Franse furie zal Duitsland deze keer niet in zijn schulp doen kruipen. Dat is Schröder niet van plan. Hij zal onderhandelen, en in ruil voor een `Duitse' Europese constitutie de Franse landbouw wellicht sparen of de Duitse taal offeren ten gunste van het Frans en Engels als officiële EU-taal.

En is Frankrijk wel zo mordicus tegen, zoals dikwijls wordt beweerd? Het is sterk in beweging, wèg van het gecentraliseerd staatsbestel en een enigszins xenofobische gesteldheid. Bovendien kent het een lange Europese federale traditie die – zeker als de volgende president geen conservatief zal zijn – de Duitse plannen zal ondersteunen. Voorwaarde is de Franse trots niet te krenken, maar te strelen, door behalve de Franse taal andere Franse eigenaardigheden serieus te nemen, zoals de bescherming van de Europese cultuur tegen Amerikaanse `barbarij'.

In dit verband zou Nederland zichzelf en de Unie goede diensten kunnen bewijzen. Ons land kent een lange federale traditie, conform het belang van een kleine staat te midden van de grote. Die houding was vaak defensief, en toen ze bij het Verdrag van Maastricht in 1992 offensief werd ingezet, is ze als niet ter zake afgewezen.

Maar die krenking van `Black Monday' is voorbij sinds het grote Duitsland van zich doet spreken. De geesten zijn dus vrij om de draad weer op te nemen. Maar dat valt de verantwoordelijke bewindslieden niet mee. Staatssecretaris Benschop voor Europese Zaken spreekt, maar helaas in tegenstrijdigheden. Minister Van Aartsen van Buitenlandse Zaken doet iets anders, al weet niemand precies wat.

Alleen premier Kok lijkt de beklemming van het `sur place' te willen doorbreken. Hij roept op tot ,,een ongedeeld en eensgezind Europa'', maar het Duitse voorbeeld volgt hij niet. Dat is misschien verstandig. Publieke keuze kan schadelijk zijn, voor de zaak zelf en voor de mogelijke ambitie straks de eerste gekozen premier van de EU te worden. Die speculatie is voorbarig, maar ook ter zake. De Duitse leiding van Europa moet, net als bij de Europese Centrale Bank, in niet-Duitse handen zijn.

Paul Kapteyn is verbonden aan de vakgroep politieke en sociaal-culturele wetenschappen van de Universiteit van Amsterdam.