Elastische energie

Nederlanders gaan zuiniger om met energie en grondstoffen als zij er meer voor moeten betalen. Het pleidooi van promovendus Vincent Linderhof voor de ecotax.

Financiële prikkels, zoals de ecotax of de invoering van een kiloprijs voor het inzamelen van huishoudelijk afval, zijn geschikte instrumenten om het energieverbruik en het afvalaanbod van huishoudens te beteugelen. Uit het oogpunt van duurzaamheid is het wenselijk dat de overheid zorg draagt dat de reële prijzen voor gas, water en licht voldoende hoog blijven, bijvoorbeeld via belastingen.

Dit stelt de econometrist Vincent Linderhof in zijn proefschrift Household Demand for Energy, Water and the Collection of Waste: a Microeconometric Analysis. Linderhof analyseerde op basis van economisch-theoretisch en empirisch-econometrisch onderzoek een aantal financiële instrumenten op hun effectiviteit inzake het terugdringen van de vraag naar energie, water en afvalinzameling. Daarbij maakte hij onder andere gebruik van gegevensbestanden van het Doorlopend Budgetonderzoek van het CBS voor de periode 1978-1994. Donderdag promoveerde Linderhof in Groningen bij hoogleraar micro-economie Peter Kooreman.

Sinds 1950 is de vraag naar energie enorm toegenomen. Beschikte eerst een enkeling over een koelkast, nu heeft ieder huishouden er minstens een. ``Soms staan er twee'', zegt Linderhof, ``plus een diepvriezer en een magnetron, om van wasdrogers, zonnebanken, tv's, pc's en andere elektrische apparaten nog maar te zwijgen. Weliswaar is de nominale prijs van gas, water en licht omhoog gegaan, maar omdat diezelfde periode de koopkracht nog sterker steeg, zijn de reële energieprijzen juist sterk gedaald.'' Zo lag de reële elektriciteitsprijs in 1953 op 60 cent per kilowattuur, tegen 18 cent in 1993. En kostte in 1961 een kubieke meter gas de consument reëel nog zo'n 140 cent, in 1990 lag die prijs een gulden lager.

De hoge consumptie van energie staat op gespannen voet met het duurzaamheidsprincipe. In 1987 concludeerde de World Commission on Environment and Development (beter bekend als de Brundtland-commissie) dat de overheid er goed aan doet het energieverbruik te beteugelen met publiciteitscampagnes, wetgeving, financiële maatregelen en desnoods rantsoenering. Naast publieke acceptatie, politieke haalbaarheid hangt het succes van zulke maatregelen ook af van hun effectiviteit. Het laatste aspect komt in Linderhofs proefschrift aan bod. Het onderzoek maakt deel uit van het HOMES-project (HOusehold Metabolism Effectively Sustainable), dat via een multidisciplinaire aanpak huishoudens de weg wil wijzen naar een duurzaam consumptiepatroon.

Allereerst onderzocht Linderhof het verband tussen de prijs van gas, water en licht en de vraag van de consument. Deze zogeheten prijselasticiteit ligt voor aardgas op -0,4, wat betekent dat een prijsstijging van 10 procent tot een daling in het verbruik van 4 procent zal leiden. De prijselasticiteit bij gebruikers met een enkeltarief is nul; bij dubbeltarief heeft de vraag in de daluren een elasticiteit van -0,30 en in de piekuren een van -0,17. Water heeft een elasticiteit van -0,07: verdubbeling van de prijs geeft 7 procent minder verbruik. De bewering (uit 1993) van de Unie van Waterschappen dat prijsstijgingen niets zullen uithalen, betitelt Linderhof in zijn proefschrift als `onwaar' en `ingegeven door eigenbelang'.

Geldt in het algemeen dat apparaten efficiënter dan vroeger met energie omspringen, een deel van die winst wordt teniet gedaan door de hogere prestaties (een koelkast met meer volume, toeters en bellen) die de consument van ze eist. Aan de hand van datasets voor koelkasten, diepvriezers, wasmachines en vaatwassers vond Linderhof een negatief verband tussen verbruik en aanschafprijs. Een diepvriezer die 10 procent minder elektriciteit verbruikt is, bij gelijke overige kenmerken, 3 procent duurder. Ook al verdient de extra investering zichzelf terug, de consument prefereert het voordeel op de korte termijn.

Subsidie op de aanschafprijs van energiezuinige apparaten kan de consument alsnog over de streep trekken, constateert Linderhof. Ook een energiebelasting à la de in 1996 ingevoerde ecotax op aardgas en elektriciteit leent zich daartoe. Door subsidies te financieren uit de opbrengsten van energiebelasting, zijn beide effecten te combineren. Wel ligt het take back-effect op de loer: de mens is geneigd energiezuinige apparaten minder energiezuinig te gebruiken. Door die leuke subsidie op de hoge-rendementsketel zet je de thermostaat in de woonkamer een graadje hoger; omdat hij zo goedkoop is in het gebruik laat je de spaarlamp 's nachts branden. Per saldo kan dat zelfs resulteren in een toename van het energieverbruik. Linderhof: ``Wie handig met het nachttarief weet om te gaan, bewerkstelligt een lagere elektriciteitsrekening bij een hoger totaalverbruik.''

Financiële prikkels hebben effect, concludeert Linderhof op basis van zijn onderzoek. ``De huidige trend van marktliberalisering in de elektriciteitssector heeft als risico dat door onderlinge concurrentie de prijzen dalen. Vanuit duurzaamheidsperspectief is het wenselijk dat de overheid dan ingrijpt en via belastingen de prijs hoog houdt.'' In verhandelbare energierantsoenen voor de consument heeft Linderhof weinig vertrouwen. Wel bepleit hij dat de energieconsument snel de rekening gepresenteerd krijgt. Nu merkt de consument een gedragsverandering (ten goede of ten kwade) pas na een jaar. En een energiebedrijf als NUON vermeldt niet langer op de rekening het verbruik in voorafgaande jaren.

Een apart hoofdstuk wijdt Linderhof aan de afvalinzameling zoals die sinds 1993 in de gemeente Oostzaan van kracht is. Daar betaalt de consument niet langer een vast bedrag voor het ophalen van zijn huisvuil, maar een prijs per kilo, waarbij GFT-afval en restafval van elkaar gescheiden zijn. Door toedoen van deze maatregel is de totale hoeveelheid ingezameld vuilnis in Oostzaan met circa 30 procent afgenomen. Vooral de prijselasticiteit van GFT-afval ligt met -1,1 hoog, ook al vanwege de mogelijkheid tot thuiscomposteren.

Het systeem vereist wel een zekere sociale controle: niet stiekem de vuilniszakken bij de buren dumpen. Een effectief boetesysteem gaat wangedrag tegen. Zo'n 4 à 5 procent van het vuilnis, zo blijkt, vindt zijn weg naar een buurgemeente of het werkadres. Alles bij elkaar genomen zijn alle partijen beter af, concludeert Linderhof. De gemeente is goedkoper uit, terwijl de prijs voor het ophalen van huisvuil in Oostzaan veel minder is gestegen dan in buurgemeentes.