ECHT LEREN LEZEN

Hoe krijg je kinderen aan het lezen? Die vraag staat centraal in het project Lang Zullen We Lezen, waaraan 24 basisscholen in de Rotterdamse wijk Crooswijk deelnemen. In het kader daarvan bezochten tientallen docenten een masterclass van kinderboekenschrijver Aidan Chambers, op 9 mei in de bibliotheek van Rotterdam Zijn motto is `oefening baart kunst'. ``Je kunt van je leerlingen geen hoog ontwikkelde lezers maken door ze alleen de techniek aan te leren. Practice!''

Passie, dat heeft Chambers voor boeken. En die passie spat van het podium af als hij begint te praten. Over Aboriginals (``Mensen die niet kunnen lezen en schrijven noemen we `wilden'. En die doden we.''), over Virginia Woolf, die nooit naar school ging maar thuis ondergedompeld werd in boeken en zo kon worden wie ze was, en over Anne Frank die van haar vader op kaartjes een nauwkeurig archief moest bijhouden van de boeken die ze las. ``Waarom deed Otto dat? Hij wist dat, om een échte lezer te zijn, je moet weten waar je bent geweest. Daarom is mijn advies: koop vanmiddag nog een schriftje en schrijf daarin de titels van alle boeken die je je kunt herinneren gelezen te hebben. Als ik minister van Onderwijs zou zijn zou ik zo'n boekje meteen verplicht stellen op school!''

Leesbevordering is voor Chambers een serieuze zaak. Met de vader van Virginia Woolf als voorbeeld vertelt Chambers hoe hij vindt dat docenten hun leerlingen de weg moeten wijzen in boekenland. ``Hij bepaalde voor zijn dochter aan welk boek zij toe was. Jullie hebben dezelfde taak. Jullie zijn er niet om de leerlingen datgene te laten doen wat zíj willen, maar om ze steeds een stapje verder te brengen.''

Wie naar Chambers luistert heeft de neiging die avond nog aan een logboekje te beginnen en zijn kinderen hartstochtelijke liefde voor boeken bij te brengen. De 66-jarige voormalige leraar Engels weet zijn passie aardig over te brengen op het publiek. Maar desondanks blijft Paul Vierboom, docent aan de Oscar Romeroschool in Rotterdam-Crooswijk met beide benen op de grond. ``Op onze school is 98% van de leerlingen allochtoon. Die hebben van huis uit geen leestraditie. Ik ben blij áls ik ze aan het lezen krijg. Daarom hou ik er niet van dingen te verplichten. Het moet vooral leuk blijven.''

Vierboom is initiator van het project Lang Zullen We Lezen dat in 1997 van start ging in samenwerking met onder andere het Centrum voor Educatieve Dienstverlening. Met subsidie van de deelgemeente Kralingen-Crooswijk, de Stichting Lezen en de VSB-Bank promoten de bij het project betrokken scholen het lezen van boeken op allerlei manieren. De kern van het project is de beschikbaarheid van (recente) boeken in de schoolbibliotheek en in de klas, waarvoor de docenten elke drie maanden een nieuwe collectie boeken uit de centrale bibliotheek lenen. Vierboom: ``Sommige ouders zijn niet genegen hun handtekening te zetten voor een gratis bibliotheekpasje. Of kinderen krijgen een boete omdat ze hun boeken te laat inleveren en dan is het einde oefening. Daarom moet je als school zorgen voor de boeken.''

In zijn betoog laat Chambers duidelijk merken dat hij leesbevordering een taak voor docenten vindt, en niet zozeer voor ouders, die vaak niet verder komen dan de bekende verhaaltje-voor-het-slapengaan. ``Op dat tijdstip wil je kinderen niet iets voorlezen dat ze wakker schudt. Je leest ze iets geruststellends voor. Prima, maar er is zoveel dat dan niet aan bod komt. Het is jullie taak als leerkrachten die kinderen wél wakker te schudden.'' Vierboom kan zich daar wel in vinden. Voor hem is het betrekken van ouders bij het stimuleren van lezen een `gepasseerd station' vertelt hij. De avonden die de school rondom dit thema organiseerde kregen een steeds slechtere opkomst. Hij kan `zijn' ouders niet betrappen op echte interesse in lezen, noch op desinteresse. ``Onze ouders zeggen tegen hun kind `je moet goed je best doen op school'. Meer niet.''

Chambers heeft zijn ideeën over leesbevordering beschreven in twee boeken: `Vertel eens' en `Leesomgeving'. Veel van Chambers' adviezen zijn bruikbaar in de praktijk, vindt Vierboom. Zo heeft zijn school een wisselende collectie auteursportretten ophangen, met daarbij zijn of haar boeken. Kinderen schrijven werkstukken over auteurs en lezen daar boeken voor. Iedere deelnemende school heeft een leescoördinator die, als het mogelijk is, tijd krijgt om activiteiten te organiseren. Er worden geregeld auteurs uitgenodigd die voorlezen uit eigen werk en worden er bijvoorbeeld Annie M.G. Schmidt-dagen georganiseerd waarop gedichten worden voorgelezen en films vertoond. Want ook al verafschuwt Vierboom het opleggen van een keuze aan de kinderen, hij staat wel op kwaliteit. ``Pietje Bell zul je bij ons op school niet aantreffen.''

Virginia Woolf kreeg volgens Chambers hèt voorbeeld bij uitstek: een vader en moeder die elke dag tussen de thee en het diner een boek lazen. Dat moet volgens Chambers ook in de klas gebeuren: leerlingen moeten, met de docent, dagelijks voor zichzelf lezen. Vijfentwintig minuten, want gemiddeld krijg je pas na twintig minuten plezier in het lezen.'' Vierboom geeft twee dagen per week les. Op die dagen laat hij de kinderen een half uur voor zichzelf lezen. ``Maar als ik vijf dagen voor de klas zou staan zou ik ze niet elke dag kunnen laten lezen. Tijdgebrek.'' Daarnaast leest hij voor in de klas. ``Kinderen vinden het heerlijk. Zelfs in groep acht!'' Ook Chambers benadrukt het belang van voorlezen. ``Mensen die niet graag lezen blijken de tekst niet in hun hoofd te horen. Als er niets in een verhaal is dat je herinnert aan je eigen wereld is het moeilijk te lezen, dus moet je als docent die boeken zien te vinden waarin het kind zichzelf herkent.''

Maar niet alles wat Chambers zegt is haalbaar op de Oscar Romeroschool, benadrukt Vierboom. ``Als ik, zoals Chambers beschrijft, in een kring met de leerlingen inhoudelijk moet praten over één boek dan werkt dat niet. Ze hebben het nooit allemaal gelezen. En dus kunnen ze de interesse niet opbrengen om naar elkaar te luisteren. Ik praat wel met ze over boeken, maar informeler. Vaak willen kinderen ook zelf voor de klas wel iets vertellen over een boek dat ze hebben gelezen. Dat stimuleert andere kinderen dan weer om ook dat boek te kiezen.''

Kennelijk sorteert de aanpak van Lang Zullen We Lezen effect, zo blijkt uit het evaluatieonderzoek van vorig jaar. De kinderen die meedoen aan het project blijken substantieel meer gemotiveerd te zijn om een boek te lezen dan kinderen die niet meedoen aan het project. Of dat in de praktijk betekent dat kinderen ook thuis vaker een boek zullen lezen waagt Vierboom te betwijfelen, maar kennelijk schrikt de `code', zoals Chambers het schrift noemt, hen minder af, en hebben ze leren zien dat die `code' hen kan meevoeren naar andere werelden, gedachten en gevoelens.