Alles bewaren

De meeste mensen overkomt het. Ze gaan verhuizen, ze hebben er zin in, of ze moeten, dat maakt geen verschil. Aan het verhuizen gaat het inpakken vooraf. Het volgende onderkomen is kleiner of groter dan de ruimte die ze gaan verlaten. Ook dat speelt bij het inpakken geen rol. Op zeker ogenblik merken ze dat er een teveel is. Ze worden overweldigd door wat ze in de loop der jaren hebben verzameld in het onderkomen dat ze gaan verlaten. Ik ga het niet verder uitleggen. U kent het. Het oude huis is de Titanic, de verhuiswagen de reddingsboot die al vol is, terwijl in het ijskoude water dierbare drenkelingen vechten voor het leven waar ze recht op hebben. Voor een zeker aantal voorwerpen is een verhuizing de fatale schipbreuk. En aangezien alle dingen hun geschiedenis hebben, nemen degenen die `buiten de boot vallen' een stukje van uw verleden mee de diepte in. Buiten de boot vallen. Zo zie je weer dat we een zeevarende natie zijn. Later, als je hoog en droog in je nieuwe onderkomen zit, ga je pas beseffen wat de verhuizing heeft aangericht.

Thuis – dat wil zeggen het complex dat je als kind zo noemt, je vader en moeder, de hond, de tuin, enz. – waren we geabonneerd op het geïllustreerde weekblad Het Leven. Het had de naam, een sensatieblad te zijn, maar dat was het niet. Redactioneel was het links van het midden. De sensatie bestond uit de foto's van `sensationele gebeurtenissen'. Deze foto's waren groot afgedrukt, op glanspapier. Aan de foto's was niets gefrunnikt of geretoucheerd, ze hadden de goede onderschriften, er werd geen knol voor een citroen verkocht, het was de zuivere waarheid. Bovendien had Het Leven een mooi omslag: een donker soort geel met vette zwarte letters.

Omstreeks 1933 werd Het Leven mijn lijfblad. Ik had leren lezen. Hitler had de macht overgenomen, de Rijksdag was in brand gevlogen, het proces tegen Marinus van der Lubbe begon, en in Amerika was het zoontje van Charles Lindbergh ontvoerd en dood teruggevonden. De dader was gepakt: Bruno Hauptmann. Hij werd ter dood veroordeeld en zou op de elektrische stoel worden geëxecuteerd. Denk niet dat dergelijke gebeurtenissen een kind ontgaan. Lezend en studerend in Het Leven hield ik me van de toestand in de wereld op de hoogte, zoals de kinderen van nu die naar het televisiejournaal kijken. Graag zou ik zo'n kind over een jaar of zestig willen spreken, over het ruimen van de veestapel, Palestijnse leeftijdgenoten die met stenen gooien, Timothy McVeigh en het zinken van de Koersk.

Deze week moest ik in Haarlem zijn, in het gebouw van Fotoarchief De Spaarnestad. Na gedane zaken vroeg de heer Joop van Gennep, directeur, of we een wandelingetje door het archief zouden maken. Graag. Hij deed een deur open en meteen werd ik overstelpt door het aroma van oud papier. Kijk, zei hij. Hier staan alle jaargangen van het katholieke damesblad Beatrijs, en hier de Libelle, en hier Het Leven, compleet. Ik dacht even aan Lord Carnarvon die het graf van Toetanchamon heeft geopend (op 4 november 1922), waarna zijn expeditie van het ene ongeluk in het andere tuimelde, en hij zelf op 5 april 1923 is gestorven. Mijn moeder sloot een oorzakelijk verband niet uit.

Na 67 jaar stond ik voor de jaargangen van Het Leven. Ik herinnerde me een foto waarop Göring, opgeroepen als getuige, in de rechtszaal staat. Hij heeft een wit pak aan en een rijzweepje in zijn hand. Hij staat te schreeuwen en zet zijn woede kracht bij door het zweepje tot een halve hoepel te buigen. ,,We kijken of we Göring kunnen vinden'', zei Joop van Gennep. We bladerden even, vonden niets. Mij Lord Carnarvon herinnerend, dacht ik dat dit misschien wel een goed teken was. We wandelden verder door de kasten, opgetast met geschiedenis, brandveilig bewaard, behoed door airconditioning en speciale luchtfilters. Ik bewonderde. ,,Ja'', zei Joop van Gennep. ,,En toch hebben we nooit ruimte genoeg.''

Een archief heeft zijn eigen leven. Het kan alleen voortleven als het voortdurend groeit; logisch omdat het verleden nu eenmaal iedere dag groeit. Iedere dag is ook al daardoor een archief in levensgevaar. Het kan zo groot worden dat het moet verhuizen. Bij iedere verhuizing dreigt de fragmentatie, en een gefragmentariseerd archief is geen archief meer, maar een zich in alle richtingen verspreidende verzameling onderdelen die als snippers ondergaan. Een verhuizend mens is al iemand die de landkaart van zijn geheugen in de waagschaal gooit. Een verhuizend archief waarvan de eenheid verloren gaat, is een ontvreemding van een deeltje collectief en openbaar geheugen. Dat valt dan nooit meer te redden. Mijn conclusie staat in de kop.