Zuid-Afrikaanse rastafari wil legaal cannabis gebruiken

Aan hun lange dreadlocks zijn rastafari's al duidelijk herkenbaar, maar in Zuid-Afrika krijgen ze misschien ook nog een speciale identiteitskaart.

Althans, als de advocaat van rastafari Gareth Prince in het gelijk wordt gesteld. Prince moet deze week voor de rechter in Johannesburg verschijnen omdat hij vindt dat hij op grond van zijn religie het recht heeft cannabis – of, zoals het in de volksmond heet: dagga – te roken.

Prince, die is afgestudeerd in de rechten, werd vorig jaar de toegang tot de orde van advocaten ontzegd omdat hij verscheidene veroordelingen wegens cannabisbezit op zijn naam had staan. Hij weigert zich echter principieel bij het verbod op dagga neer te leggen. Volgens hem is het in strijd met de vrijheid van godsdienst. Rastafari's beschouwen dagga als een heilige plant, die ze roken voor spirituele doeleinden. Het dragen van een speciaal pasje, zo beargumenteerde Prince's verdediging gisteren, zou hen voortaan kunnen vrijwaren voor rechtsvervolging.

Tijdens het pleidooi van de verdediging kwamen honderden rastafari's uit het hele land hun steun betuigen aan Jah-man geloofsgenoot Prince, die zich voor de gelegenheid in krijtstreeppak had gestoken.

Het is voor het eerst dat het hof gevraagd wordt een uitzondering te maken wegens religieuze opvattingen. Voor onderzoek of medische redenen is gebruik van dagga in sommige gevallen wel toegestaan. In Namibië heeft de reggae-zanger Ras Sheehama in februari gevraagd of het hof een uitzondering kan maken op basis van zijn geloofsovertuiging. Die zaak loopt nog.

In Zuid-Afrika laaide het debat over legalisering van cannabis vorige week in alle hevigheid op nadat vijf leden van een cricketteam waren betrapt op het roken van een joint. De overigens keurige jongens van het populaire Springbok-team waren een overwinning aan het vieren in een hotelkamer op Antigua, in het Caribische gebied. Voorstanders van legalisering zeggen dat het roken van cannabis wortelt in de Afrikaanse cultuur, en vinden dat de hoeveelheid dagga-zaken het overbelaste rechtssysteem onnodig ophoudt.