Zeer geachte Gerrit Krol,

Vandaag wordt aan Gerrit Krol de P.C.Hooftprijs voor verhalend proza uitgereikt. Arnon Grunberg reageert op zijn werk.

Om uw werk hangt de geur van onleesbaarheid. Alleen al het noemen van uw naam kan heftige reacties oproepen. U weet dat. Toen u de Constantijn Huygensprijs ontving, probeerde u in uw dankwoord dan ook al die mensen die u ,,de saaiste en vervelendste schrijver van Nederland'' vinden van repliek te dienen.

En het was beslist geen toeval dat Hans Goedkoop uw naam noemde toen hij een paar weken geleden in de boekenbijlage van deze krant fijntjes het verband tussen snobisme en literatuur toelichtte. De komma van Gerrit Krol en al die mensen die praktisch op die komma klaarkomen. Ja, beter kan het snobisme niet worden geïllustreerd. Om misverstanden te voorkomen, is er wel wat goeds over snobisme te zeggen. Zonder zou de literatuur uitsterven, maar met uitsluitend snobisme red je het ook niet.

Zelf heb ik ooit iemand horen zeggen dat u het mooiste Nederlands schrijft van alle hedendaagse schrijvers. Het compliment is u van harte gegund, maar u moet toegeven dat het bedenkelijk is. Het doel, de functie zou u zeggen, van een boek kan niet gelegen zijn in het mooiste Nederlands. Of Engels. Of Duits. Voor je het weet wordt uw gebruik van het vraagteken geprezen. Zodra gesprekken over literatuur niet meer te onderscheiden zijn van gesprekken over de Zuid-Afrikaanse Pinot Grigio van '98 weet je dat het mis gaat. Begrijp me goed. Ik ben voor de wijnproeverij. De verheerlijking van het boertige is vele malen stuitender dan welke wijnproeverij dan ook. Maar een gesprek over wijn is per definitie sociale komedie, waarmee ik bedoel: komedie die duidelijk maakt dat de klassenstrijd niet is uitgewoed en ook nooit zal zijn uitgewoed. Een gesprek of essay over literatuur zou zich aan die sociale komedie moeten kunnen onttrekken.

U vergeeft mij dus als ik over uw komma's zwijg. Ook over uw witregels. U schreef: ,,Wie niet een komma op de juiste plaats kan zetten kan niet schrijven.'' Ik doe alsof ik dat niet heb gelezen. Hoewel ik uw essays juist zo aantrekkelijk vind omdat ze geschreven zijn door iemand die overtuigd is van zijn eigen gelijk. Of doet alsof. Nu ik de helft van uw omvangrijke oeuvre heb gelezen, en vast van plan ben ook die andere helft te lezen, kan ik u verzekeren dat het wel meevalt met de saaiheid en de onleesbaarheid.

Geprezen worden om de verkeerde redenen door foute mensen kan voor een schrijver fataal zijn. Maar het is niet te laat.

De functie van een literaire prijs is om lezers ervan te overtuigen dat het werk van de laureaat niet saai en niet onleesbaar is, maar integendeel voortreffelijk.

De functie van een boekenbijlage is om lezers de gelegenheid te bieden over boeken te praten die ze niet hebben gelezen.

Vroeger was de functie van zo'n bijlage misschien om lezers de keuze te vergemakkelijken in de boekhandel, maar dat is lang geleden.

Het lezen van boeken die literatuur heten te zijn is voor de meeste lezers verbonden met sociale status. Zie het betoog van Hans Goedkoop. Voor die sociale status maakt het niet uit of het boek daadwerkelijk gelezen is, zolang de lezer maar vaardig kan veinzen. De recensent wordt een opiniemaker. Als de opinies lang genoeg blijven rond zoemen veranderen ze in mythes. Dat uw werk onleesbaar zou zijn is zo'n mythe. Beter een negatieve mythe dan helemaal geen.

Mijn functie is het om mythes te corrigeren, om sommige af te breken, andere op te bouwen. Wat Amerika doet of zou moeten doen voor de wereld, doe ik voor de Nederlandse literatuur: corrigerend optreden.

Het misverstand bestaat nog altijd dat denken voelen uitsluit en dat emoties het beste kunnen worden opgeroepen met behulp van emoties.

In uw roman In dienst van de `Koninklijke' schrijft u over uw Laura die zich midden in de nacht ook aan het schrijven waagt: ,,Emoties die meteen op papier kwamen, bewonderenswaardige emoties, over de liefde en het leven; ik begreep niet dat iemand dat allemaal zomaar kon opschrijven.''

Elders noemt u die roman uw meest autobiografische waarin u onder andere uw gevoelens voor de Shell beschrijft.

Bij gevoelens denken mensen aan bruine eenhoorns, een geliefde, ouders, oma, een kat, van mijn part aan een plant. Niet aan de Shell. U denkt wel aan de Shell, en dat bevalt me. Het ware gevoel, in ieder geval het interessantste gedeelte ervan is de reflectie over dat gevoel. Zoals u zelf schrijft in De ziekte van Middleton: ,,Het gevoel is het denken waarvan de denker zelf deel uit maakt.''

Zonder denken geen gevoel. Sommige mensen voelen wel, maar denken niet. Dat zijn net junkies die wel de sensatie willen, maar te lui zijn om er iets voor te doen. Of gewoon gehandicapt.

Dat u steeds weer in verband wordt gebracht met onleesbaarheid en kilheid moet er wel mee te maken hebben dat bepaalde mensen willen voelen zonder te denken.

Reflecties over een emotie kunnen leiden tot de toch wel treurige conclusie dat er helemaal nooit een emotie is geweest. Dat risico moet je nemen. Om een voorbeeld te geven: menig verliefdheid verdraagt niet al te veel reflectie. Lust daarentegen wel. Wanneer je reflectie loslaat op lust zal de lust bijna altijd sterker uit de strijd komen. Dit zou kunnen betekenen dat lust geen emotie is, maar een gedachte die vlees wil worden.

Niet altijd begrijp ik u. Dat hoeft ook niet. Ik doe mijn best. U schrijft: ,,Daarom moet je de waarde van een verzameling woorden niet afmeten naar de schoonheid ervan, klank of ritme, maar naar de mate waarin datgene wat je net hebt beschreven wordt ontkend.''

Ik begrijp dit als volgt. Dat u ridiculiseert komt niet omdat u een spotvogel bent, of omdat u wilt ridiculiseren, maar omdat u de waarheid zoekt.

Dat wat belangrijk leek voor de schrijver, het allerbelangrijkste misschien wel, verdwijnt terwijl hij het aan het onderzoeken is. Zelfkennis is een ernstige aangelegenheid. Dat die zelfkennis leidt tot absurde, ridicule, trieste en lachwekkende conclusies, betekent nog niet dat aan de ernst en de inzet van de onderzoeker mag worden getwijfeld.

Nu kom ik aan uw toon. ,,Het is nu eenmaal de toon'', schrijft u, ,,die maakt dat de zin die je leest onvergetelijk wordt, niet zijn betekenis, die wordt er later aan toegekend.''

De scheiding tussen toon en betekenis is kunstmatig en onverstandig. Taal die alleen maar toon is, is muziek. Jan Hanlo schreeft een gedicht dat alleen maar toon is. Mooi, maar wel een eindpunt. Je kan erop variëren, maar beter wordt het niet.

Als u een roman schrijft over een man die geobsedeerd is door borsten van een aanzienlijk formaat, een moeilijke roman met plaatjes, maar absoluut niet onleesbaar, en men prijst u om uw stijl, dan beschouw ik dat als verraad. Of lafheid.

Opdat men vooral niet hoeft in te gaan op wat er staat.

Natuurlijk is het van belang, van groot belang zelfs, zo effectief mogelijk te formuleren. Maar die effectiviteit kan alleen gemeten worden als je de betekenis kent of vermoedt.

Zonder betekenis geen toon.

Weet u met wie u nogal wat gemeen hebt? Met de sensatie van het afgelopen jaar, Dave Eggers. U schrijft alleen niet over kanker en de voorstad, de twee belangrijkste thema's van Eggers, en de twee grote angsten van de westerse mens.

Gelukkig. Ik lees liever over de Shell dan over de voorstad en de kanker. Maar als u schrijft (in 1974): ,,Wat u nu net gelezen hebt, is van dit boek nog een deel uit de zogenaamd eerste versie, waarvan ik door alle versies heen nog wel eens wat heb willen laten staan...'' is dat een ingreep die we ook bij Eggers aantreffen.

U noemt het schaamte, ik zou het angst willen noemen voor de banaliteit die nu eenmaal aan elk verhaal kleeft. Daarom wilt u zo graag laten zien hoe verhalen verteld worden en hoe ze ook anders verteld kunnen worden.

Woorden hebben werkelijkheid nodig om iets te betekenen. Ze zijn het gereedschap van de schrijver, maar ze zitten ons in de weg. Ze moeten, geloof ik, vooral niet de nadruk op zichzelf vestigen. Geen rederijkersproza dus, geen proza dat gecomponeerd is met behulp van zestien woordenboeken.

Tijdens lezing van uw boeken vroeg ik me af waarom we in het geval van bijvoorbeeld Primo Levi nooit over zijn stijl spreken.

Omdat er te veel werkelijkheid is waarnaar ze verwijzen, waardoor de woorden zelf onzichtbaar worden.

In uw beste momenten, in uw beste boeken zijn ook uw woorden onzichtbaar. Zoals bijvoorbeeld in De rokken van Joy Scheepmaker:

,,`Het is wat rot', zei ze, `maar ik ben verloofd.'

Hij likte zich om de mond, snoof haar geur op.

`Je ruikt tenminste lekker', zei hij.

`Verloofd', zei Nin, `en hij zit in Amerika.'

`Dat is dan ver weg', zei Kraus en zij keek een beetje verwonderd opzij.''

Gefeliciteerd met uw prijs, dat u nog lang corrigerend mag blijven optreden.

Arnon Grunberg