Ze houden het hek voor me open

In een mooi nieuw deel van zijn memoires neemt oud-president Jimmy Carter geen blad voor zijn mond als het gaat over zijn gedisciplineerde jeugd, zijn strenge vader, het harde plattelandsleven en de raciale zeden op de boerderij.

Zo ijverig, moreel bewogen en zelfgenoegzaam als James Earl Carter was als president van de Verenigde Staten (1977–1981), zo vruchtbaar, veelzijdig en geïnspireerd is hij sindsdien gebleken als schrijver. De president die claimde een speciale band te hebben met het Amerikaanse volk en daaraan uiting gaf door op gezette tijden te logeren bij `gewone mensen' in het land, blijkt zich op z'n gemak te voelen achter zijn tekstverwerker in zijn huis in Plains, in het dunbevolkte westen van de zuidelijke staat Georgia.

Nadat Ronald Reagan in Washington het roer van hem overnam heeft hij een indrukwekkend oeuvre bijeen geschreven. Zijn geliefde geboorteplaats heeft hij sindsdien alleen verlaten voor een periodieke vredesmissie of als waarnemer bij verkiezingen in het buitenland, voor bouwwerkzaamheden aan woningen voor minder bedeelden en voor archeologische strooptochten naar speerpunten van indianen, die hij verzamelt.

Ghostwriter

Liet hij in het voorwoord van zijn Witte Huis-memoires (Keeping Faith, 1982) al trots weten zich niet te hebben bediend van een ghostwriter. Ter vergelijking: bij de presentatie van zijn herinneringen An American Life (1990) zei Reagan `te hebben gehoord dat het een geweldig boek was geworden' en dat hij `hoopte het ooit te lezen'. Inmiddels heeft Carter zich gewaagd aan een kinderboek, een dichtbundel, twee boeken over religie, een `reflectief' dagboek over avonturen in de natuur, een gids over de deugden van de ouderdom en handboek over vrijetijdsbesteding, een `visionair geschrift' met vredeswenken voor een nieuwe generatie, een boek met `inzichten' over de toestand in het Midden-Oosten en de memoires van zijn strijd om het gouverneurschap van Georgia. Van de moderne Amerikaanse presidenten kan alleen Richard Nixon zich in dit opzicht met Carter meten, zij het dat Nixon zich in z'n thematiek beperkte tot geopolitiek, politiek leiderschap en het schrijven van zijn herinneringen.

Met An Hour Before Daylight voegt Carter nu een mooi deel toe aan zijn memoires. Niet zijn strijd om het Witte Huis of het gouverneurschap van Georgia staat centraal, maar zijn kindertijd en vroege jeugd op een boerderij even buiten Plains, in het gehucht Archery. `De specifieke achtergrond van mijn leven in Archery, met een betrekkelijk beschermde en gedisciplineerde jeugd, is mij van dienst geweest in mijn verdere leven', schrijft Carter. Dat zal best waar zijn. De ijver van de latere president heeft zeker zijn wortels in zijn kindertijd. Hij werkte voor zonsopgang al op het erf en na schooltijd was het hem verboden deel te nemen aan sportwedstrijden, omdat hij een helpende hand moest bieden op het land. Toch zou je de kwaliteiten van het boek tekort doen als het alleen wordt beschouwd als opmaat naar het latere leven van de politicus.

Jimmy, door zijn vader `Hot' of `Hot Shot' genoemd, groeide op in de jaren dertig. De tijd van de depressie, die de boeren in het zuiden van de Verenigde Staten hard trof. Vader Earl Carter moest het hoofd boven water zien te houden terwijl de prijs van zijn belangrijkste product, katoen, kelderde. Dat hij daarin slaagde, zo maakt zijn zoon duidelijk, had twee oorzaken; hij werkte harder dan zijn collega's en had het geluk dat de verbouwing van nevenproducten, zoals pinda's en pecannoten, extra geld in het laatje bracht. Jimmy's moeder, Lillian Gordy, verdiende bovendien bij als verpleegster, zodat het gezin in de rampzalige jaren dertig zelfs relatief vermogend was.

An Hour Before Daylight heeft drie thema's. Allereerst beschrijft Carter het plattelandsleven in een deel van Amerika dat sinds de achttiende eeuw niet wezenlijk van karakter was veranderd. De Carters hadden weliswaar een auto en telefoon, maar de velden werden nog geploegd met ezels, de huizen waren tochtgaten, die in de winter nauwelijks warm te stoken waren, en in de schroeiend hete zomer bedekt waren met een laagje rode stofaarde. De boerengezinnen stonden machteloos tegen ongedierte dat de gezondheid aantastte en het voedsel bedierf.

Nadat de landbouwcrisis duizenden boeren op of over de rand van de afgrond bracht, greep president Franklin Roosevelt in. De overproductie van katoen werd aangepakt; landbouwers werden gedwongen een groot deel van hun oogst te vernietigen.

Later stelde Washington ook paal en perk aan de productie van pinda's. De boeren werden daar weliswaar financieel voor gecompenseerd, maar velen, onder wie Earl Carter, voelden zich verraden door de staat. Hoewel zijn vader een loyale Democraat was, schrijft Carter, `heeft hij dit Roosevelt nooit vergeven en nooit meer op hem gestemd.' In plaats daarvan steunde hij voortaan de populistische en racistische Democraat Eugene Talmadge, die carrière maakte door af te geven op de centrale regering die het leven van `iedere vrije Amerikaan wilde controleren.'

Carter schetst daarnaast een subtiel en indringend portret van zijn ouders en naaste familieleden, waarbij de karaktertekening van zijn vader de vorm aanneemt van een afrekening. `Ik had sterk gemengde gevoelens over hem: van liefde, bewondering en trots, maar ook op z'n minst een met terugwerkende kracht gevoelde verontrusting over zijn superieure afstandelijkheid ten opzichte van mij. Ik kan mij niet herinneren dat hij mij ooit ergens mee complimenteerde of mij bedankte wanneer ik een van zijn stille suggesties, die de uitwerking hadden van een bevel, had opgevolgd.'

Zijn vader hield de boerderij draaiende en hij betrok Jimmy van jongs af aan bij het bedrijf, wat hem met trots vervulde, maar hij was ook hardvochtig en egoïstisch: het gezin mocht alleen ontspannen als hij daartoe het teken gaf. De weinige keren dat Jimmy het waagde zich aan zijn vaders bevelen te onttrekken, kreeg hij er van langs. Een regelmatig pak slaag hoorde bij zijn opvoeding; ook op school werd hij door de hoofdonderwijzer onder handen genomen, met goedkeuring overigens van zijn vader.

Tweederangsburgers

An Hour Before Daylight ontleent zijn grootste kracht aan Carters onopgesmukte beschrijving van de raciale verhoudingen op de boerderij. De boerenarbeiders in dienst van z'n vader waren zwarte Amerikanen; ze woonden op een enkele uitzondering na in bouwvallen in de buurt van het erf. Hoewel de Carters `verlicht' waren, laat de zoon er geen misverstand over bestaan dat zijn ouders zich hielden aan de sociale conventies, die er op neerkwamen dat de zwarte gezinnen als tweederangsburgers werden behandeld.

De verhouding tussen zijn ouders en de landarbeiders wordt door Carter meesterlijk beschreven in een scène over de tweede bokswedstrijd, in 1938, om de wereldtitel in het zwaargewicht tussen de zwarte Amerikaan Joe Louis en de blanke Duitser Max Schmeling. De Carters konden als een van de weinigen in hun district de strijd live beluisteren; ze waren in het bezit van een radio. `Voor onze gemeenschap had dit gevecht een zware raciale lading, met op onze blanke school een bijna-unanieme steun voor de Europeaan in plaats van de Amerikaan', schrijft hij. `Een delegatie van onze buren vroeg aan vader of ze naar de uitzending mocht luisteren, waarna we de radio in het raam plaatsten zodat zij het verloop van het gevecht in de tuin kon horen. De strijd eindigde plotseling, in de eerste ronde, toen Louis Schmeling bijna een doodsklap verkocht. Buiten werd hier niet op gereageerd – evenmin als bij ons, in de woonkamer. We hoorden een beschroomd `Dank U, meneer Earl', waarna het bezoek stilletjes de tuin uitliep, de weg en de spoorlijn overstak, een woning inging en de deur achter zich dichtdeed. Daarna barstte er een oorverdovend lawaai los, en hun feest duurde de hele nacht. Vader keek zuinig, maar alle wetten van onze gescheiden samenleving waren geëerbiedigd.'

Dezelfde mores schreven voor dat Jimmy wel bij zijn zwarte vrienden in huis speelde of logeerde, maar dat het omgekeerde verboden was. Of dat Jimmy als hij met zijn beste zwarte vriend naar de film in Plains ging, gescheiden reisde en gescheiden in de bioscoop zat. `Ons enige krachtige gevoel bestond uit dankbaarheid voor het geweldige uitje', schrijft Carter. `Ik kan mij niet herinneren dat wij ooit vraagtekens zetten achter de gedwongen rassenscheiding, die wij even vanzelfsprekend vonden als ademhalen en elke ochtend wakker te worden in Archery.'

Gedragslijnen

Of zijn vroegere vriend, met wie hij contact heeft gehouden, er net zo over dacht, vermeldt Carter niet. Alleen als ze in huis bij een van de buren speelden, als ze werkten op het platteland of stoeiden in de natuur verdwenen de codes die Jimmy van zijn vrienden scheidden. Tot hij op z'n veertiende tot zijn verbazing ineens meemaakt dat diezelfde vrienden, buiten op het veld, een hek voor hem openhouden en hem als eerste doorlaten. Een gebaar, veronderstelt Carter, waarmee zij aangaven dat vanaf dat moment – ook als ze onder elkaar waren – de ongeschreven gedragslijnen tussen blanken en zwarten van kracht werden. Vanaf dat moment was het met hun ongedwongen relatie gedaan.

Veel later, als politicus, moest kandidaat Carter zich verdedigen tegen de heersende raciale zeden op de boederij van zijn vader. Earl Carter was toen al lang overleden. Zijn eigenzinnige moeder, die zich nooit had verenigd met het systeem van rassenscheiding, nam het toen voor echtgenoot en impliciet voor haar zoon op: `Verslaggevers hebben je vader ervan beschuldigd dat hij geen vinger uitstak voor de integratie van zwart en blank. Wat ze zich niet realiseren is dat hij stierf in 1953, toen er nog helemaal geen sprake was van integratie en niemand nog had gehoord van Martin Luther King of de burgerrechtenbeweging.' Het is jammer dat Carter, die de boerderij na de dood van zijn vader overnam, niet ingaat op de rassenverhoudingen die hij toen aantrof, na een scheiding van meer dan tien jaar die hij doorbracht in de marine.

An Hour Before Daylight geeft een indringend beeld van het leven op een Amerikaanse boerderij voor de Tweede Wereldoorlog. Het kan zich meten met All Over but the Shoutin' (1997), de jeugdherinneringen van New York Times-journalist Rick Bragg.

Beide boeken zijn niet alleen meesterlijk geschreven, ze geven ook weer hoe zwaar het leven was in het zogeheten `Deep South' van de Verenigde Staten, zowel vòòr als na de oorlog, en hoe gecompliceerd de sociale codes er waren (en misschien nog wel zijn).

Waar Bragg, als zoon van een `white trash' alleenstaande moeder uit Alabama, zich schrijvend een weg baande uit de armoede, daar stond Jimmy Carter voor een andere taak. Hij moest zich verzoenen met een manier van leven die, na de sociale revolutie van de jaren zestig, onverdedigbaar want achterlijk en racistisch was. Dat Carter daarin slaagt, zonder dat het boek het karakter aanneemt van een lange verontschuldiging, dat hij zijn vader, zichzelf en het `systeem' niet beter, maar ook niet slechter voordoet dan zij waren, is een prestatie van formaat.

Jimmy Carter: An Hour Before Daylight. Memories of a Rural Boyhood.

Simon & Schuster, 284 blz. ƒ74,95

Politici