Wat ik wil, gebeurt nooit

Componist Peter Schat wordt 66: tijd om onvoltooide werken af te maken en alsnog in première te laten gaan. `Oudere stukken van mezelf horen vind ik zeer interessant.'

,,Op Kerstavond voor de millenniumwende kreeg ik een blindedarmontploffing. Met oud en nieuw lag ik in het ziekenhuis met een puntmuts die het verplegend personeel me had opgezet. Ik dacht aan Pierre Boulez, die heeft gezegd dat zeventig procent van zijn werken nog niet af zijn. En ik dacht aan een aantal van mijn eigen werken die ik had teruggetrokken, of niet had afgerond. Als ik weer op de been ben, dan ga ik deze stukken afmaken, nam ik me voor.

,,De Derde symfonie had ik natuurlijk al voltooid, in april 1999. En ja, dan word je gebeld door Vredenburg en je stelt voor: The Wallpeckers, nog wat stukken, is dat niet wat? Dan ontstaat er al gauw iets. Het is goed als je planten bijelkaar zet, dan helpen ze elkaar. Bovendien hou ik van cycli in priemgetallen, niet van dat gejubileer met vijftig en zestig. Dit jaar word ik 66. Elf is het mooiste priemgetal.

,,Meestal gaat het met opdrachten bij mij verkeerd. Ik ben de enige die weet wat mijn volgende stuk moet zijn. Ensembles vragen me om dingen en vaak stem ik uit goeiigheid toe. Dan loop ik vast. Alle stukken die nu in première gaan, hebben te maken met vroegere opdrachten en toestanden die daaromheen ontstonden. The Wallpeckers is een toccata voor orkest, dat ik oorspronkelijk componeerde ter gelegenheid van de opening van de nieuwe concertzaal van het Brabants Orkest. Maar de dirigent was een dilettant, een prutser. Het stuk was er totaal in verkeerde handen en ik heb het teruggetrokken. Het Lenteconcert schreef ik in 1993 voor een Berlijns ensemble, na de eerste uitvoering vond ik de instrumentatie niet deugen. Die is nu veranderd en ik heb er een langzaam deel aan toegevoegd, zodat het een echt driedelig fluitconcert werd. In het gedicht To whom van Adrien Mitchell is `Tell me lies about Vietnam' de zin die terugkeert aan het eind van elk couplet. De regel van de dichter is recht overeind blijven staan, de politieke realiteit is 180 graden gekeerd. Destijds ging het over de oorlog van de imperialisten, nu gaat het over de leugens van het communistische regime. In 1973 heb ik het refrein getoonzet in F groot met wat valse noten. Toen vond ik dat eigenlijk al onbevredigend. Nu kon ik het in het Elfde Uur van de Toonklok integreren.''

Blonde lokken

Kleine zweetdruppeltjes parelen op het voorhoofd van Peter Schat. Ze lichten op in het gefilterde zonlicht dat schuin door het bladerdak naar beneden valt. Samen met zijn blonde lokken omkransen ze zijn blik, waarin weemoed en jongensachtigheid zich mengen. Hij is licht kortademig, maar dat hindert hem geenszins om een uitvoerig betoog op te zetten, waarbij hij zijn toehoorder bij tijd en wijle onderzoekend opneemt om het effect van zijn woorden te wegen. Zijn stem is zacht en lijkt een bedeesde aarzeling in zich te herbergen, maar zijn verbale stijl is onveranderlijk bevlogen en polemisch: ,,We leven hier in het dromenland van de dilettant. In Nederland weten ze niet hoe met componisten om te gaan. Men heeft ook totaal geen benul van de eigen geschiedenis. Kijk maar naar die plakkaten met componistennamen in het Concertgebouw: Röntgen, Dopper, dat was toch puur de waan van de dag? In Wenen of Praag, dat is iets anders. Daar merk je meteen dat ze Beethoven of Webern gewend zijn. Het is niet voor niks dat de enige prijs die er in ons land voor componisten bestaat, naar Matthijs Vermeulen is vernoemd. Hij is de topdromer. Hij componeerde zoals de mensen denken dat componeren in zijn werk gaat: op de tast, zonder enig houvast. Als de duif bij Plato, die verzucht: `kon ik maar vliegen zonder de hele tijd lucht te hoeven verplaatsen'. Die duif, daar zouden we ons nationale symbool van kunnen maken, een hoop illusies zijn er op terug te leiden. Alsof een jonge pianist boontjes gaat zitten doppen, in plaats van toonladders studeren. Als je werkt, kun je dat maar beter systematisch doen.''

Deze hang naar ordening komt in de muziek van Peter Schat het duidelijkst tot uiting in zijn Toonklok: een systeem van twaalf verschillende drieklanken die zich binnen de chromatische toonladder bevinden, waarover hij in het verleden ook in deze krant uiteenzettingen heeft gegeven. Zijn gedecideerdheid verhindert hem niet om tot nieuwe inzichten te komen en bepaalde meningen te herzien. Zo vond hij in de tijd dat hij een van de drijvende krachten achter de Provo-beweging vormde, dat muziek strikt aan het bureau geschreven diende te worden. Componeren aan de piano stond gelijk aan onaneren. Inmiddels is het klavier een onmisbaar onderdeel van het compositieproces geworden.

Waipoua

Zijn opinies zijn hoe dan ook compromisloos en recht uit het hart, wat hem door collega's niet altijd in dank wordt afgenomen.

,,Het idee voor de Derde symfonie deed ik op in het Waipoua Woud, in de warme noordpunt van Nieuw-Zeeland. Er staan daar reusachtige kauri-bomen, die kolossaal en vanuit één punt oprijzen. De grootste boom is de tweeduizend jaar oude Tane Mahuta, die door de Maori's, en door mij, als de `God van het Woud' wordt vereerd. De stam heeft een omtrek van zeventien meter en de veelkleurige, vochtige schors ademt een eeuwige jeugd. Je gaat er vanzelf fluisteren. Volgens het scheppingsverhaal van de Maori's tillen de machtig gespierde armen van de Tane Mahutu de tent op waaronder het leven begon. En dat strookt precies met de evolutieleer: eerst ontstonden de planten, die zuurstof produceerden en daardoor het dierlijke leven mogelijk maakten.

,,Bij het schrijven van mijn Derde symfonie was ik voor het eerst in de gelegenheid een oude droom te verwezenlijken: de integratie van de gamelan in het wereld-symfonieorkest. In 1986 had ik voor het Indisch Requiem al een westerse, gelijkzwevend gestemde gamelan willen laten bouwen, maar daar kwam geen subsidie voor. Wat ik wil, gebeurt bij voorkeur niet. Tien jaar later werd ik door Frits van der Waa van de Volkskrant geattendeerd op een concert in het Stedelijk Museum, waar zo'n gamelan gebruikt werd. A dream come true.

,,Ik houd van de langdurigheid van de klank van gamelaninstrumenten. Ze mengen goed met alles, hout, koper, strijkers. Het is het bronzige van het geluid, zoals dat zich moeiteloos met de toon van een basklarinet versmelt. Ik denk dat het met de gamelan net zo zal gaan als met de vibrafoon, na verloop van tijd zal ieder orkest erover beschikken. De gamelan, met zijn rijkdom aan klank, zal alle andere metalofonen zelfs overbodig maken.''

Bromtollen

Peter Schat deed in 1954 voor het eerst van zich spreken, met zijn Passacaglia en Fuga voor orgel. Talloze spraakmakende stukken zouden volgen. Zijn muziek kenmerkt zich door een gloedvolle expressie, de soepele trefzekerheid van zijn muzikale invallen en de vaak tomeloze ritmische energie. Een typisch voorbeeld hiervan is To you (1970/'72). In dit stuk, dat eveneens is gezet op een gedicht van Adrien Mitchell, wordt de zanglijn van de sopraan ondersteund door het gezoem van zes manshoge bromtollen, en het niet aflatende voortrazen van snelle, springerige loopjes in de vier piano's, de twee elektronische orgels en het sextet versterkte gitaren. `Doldraaiend', `met pathetisch geweld', `buiten zinnen' en `dwangbuisrijp', zijn enkele van de speelaanwijzingen in de partituur. Het is een stuk dat onmiskenbaar het stempel van zijn tijd meedraagt, maar op de luisteraar nog altijd een geweldige impact heeft en geenszins gedateerd overkomt.

Hoewel Peter Schat reeds decennia lang een `gevestigd componist' is, neemt hij bij voorkeur de positie van underdog in. Gedurende zijn studietijd bij Kees van Baaren, Mátyás Seiber en Pierre Boulez nam hij gretig kennis van de nieuwste ideeën, als het serialisme, toevalsprocédé's, ruimtelijke opstellingen en elektronische muziek. Ze vonden hun plek in zijn muzikale idioom en dienden als middelen in zijn strijd tegen de gevestigde, conservatieve orde. Later, nadat de door hem in gang gezette Notenkrakers-revolte in 1969 een feit was, begon hij zich juist weer van de avant-garde te verwijderen. De verworvenheden daarvan begon hij steeds meer te ervaren als beklemmende en niet-levensvatbare dogma's en hij zocht naar aansluiting bij meer traditionele vormen, resulterend in zijn Eerste symfonie (1978/'79).

Een goed inzicht in de veranderingen in Peter Schats muzikale landschap bieden zijn opera's. Labyrint, een soort opera (1966), op een libretto van Lodewijk de Boer naar Louis Paul Boons De Paradijsvogel, was een uiterst gelaagd multimedia-spektakel waarin zang, muziek, dans, mime, schilderkunst, drama en film tezamen kwamen. De uitvoeringen in Carré, onder leiding van Bruno Maderna, verliepen onder tumultueuze blijken van bijval en afkeuring. In 1989 beleefde zijn Symposion haar première. Een echte opera, op een libretto van Gerrit Komrij, handelend over de dood van de Russische componist Tsjaikovski en Socrates, door het drinken van de gifbeker. ,,Oudere stukken van mezelf horen vind ik zeer interessant. De werking van dezelfde noten in handen van een nieuwe generatie muzikanten is fenomenaal. Wat zijn jonge musici enorm gegroeid. Vroeger begonnen de meesten er gewoon niet aan. En degenen die dat wel deden hadden er de grootste moeite mee, dappere jongens en meisjes. Ook met componeren was het zo. Nachten lag ik wakker van een pianostuk. Een variatie met alleen maar septiemen. Was dat niet wreed, was dat geen sadisme? Dat vind ik eigenlijk nog wel.

Broodbakker

,,Toen ik een jaar of acht was, moest ik op school een formuliertje invullen met wat ik later wilde worden. Zo van: vader is broodbakker, moeder huisvrouw en ik word componist. Jaren later kwam ik in het nichtenleven de zoon van die leraar tegen en vroeg hem of zijn vader zich dit nog kon herinneren, omdat het mij voorkwam dat ik het hele voorval gedroomd had. Een maand later zag ik hem weer en ja hoor, zijn vader wist het nog precies. De muziek kwam in mijn leven toen ik zes was en mijn vader een piano in huis haalde. Ik hield het pedaal ingedrukt en kon de hele middag zitten luisteren naar het wegsterven van de tonen. Maar pianoleraren sloegen met een latje op je vingers, zo was de pedagogische sfeer in die tijd. Leren was een straf op die christenhondenscholen, van de kleuterschool tot aan de HBS heb ik het geen dag leuk gevonden.

,,Gelukkig kwam ik uiteindelijk terecht bij mevrouw Berghausen-Pont, die mij dingen wist bij te brengen, liefde voor muziek deed ontstaan en me in contact bracht met de Lyrische Stücke van Grieg, een openbaring.'' Uit een interview met Bibeb in Vrij Nederland uit 1966: `Mijn oudste broer, daar houd ik ontzettend veel van. Hij was thuis niet gewild, wou niet leren. Hij ging toen hij zestien was naar Amerika als gereformeerde en viel in alles wat God verboden had. Tekende drie jaar als soldaat, lag in Duitsland en kwam bij ons in Utrecht met Kerstmis en zei dan: `Kom, ik ga even naar de hoeren.' Dan werd het bidden en beven voor de jongen z'n zieleheil. Dat deed-ie gewoon uit wraak.'

,,Van een oom hoorde ik dat mijn vader als kind uit bed geranseld werd als hij een nachtmerrie had. Dan was hij `bezeten van de duivel'. In 1956 emigreerde mijn hele familie naar de VS, ik bleef als enige achter, vanwege de muziek. Daar werd een nieuwe bakkerij opgezet, waar mijn vader min of meer de knecht werd van zijn oudste zoon. In de winkel stond een vleugel waarop mijn vader Chopin speelde. Hij werd een lokale beroemdheid. Mensen kwamen langs om een donut te kopen en naar hem te luisteren. De laatste keer dat we met alle zes de kinderen bij elkaar waren, was bij zijn begrafenis. Er ontstond meteen weer die sfeer van een jeugdbende, wij waren een gezin dat nogal samenhing. Maar inmiddels is de hele erfenis opgegaan aan proceskosten, door ruzies over de nalatenschap. Mijn oudste broer is een beest van een vent. Het is echt een monster, op het criminele af, nog steeds. We bellen elkaar zo af en toe. Laatst zei hij me dat hij het altijd in me bewonderd had dat ik alleen achter was gebleven, terwijl ik het zelf altijd anders gevoeld heb. Mijn jongste broer heeft twee dochters die dus echt godsdienstwaanzinnig zijn. Die komen bij mij langs om mij te vertellen dat ik later naar de hel zal gaan. `No more Jesus', zei ik ze. Ze schrokken zich een ongeluk en zeiden op slag een gebedje op. Tragisch, dat vluchten in een waanidee. De bakkerij aan de Abstederdijk bestaat niet meer, die is al lang geleden afgebroken.''

Leer

Als het om zijn muzikale geloof gaat, is Peter Schat uitermate streng en recht in de leer. En terecht, zijn bekering tot de Toonklok heeft een aantal bijzondere werken het licht doen zien, zoals de Etudes voor Piano en Orkest (1981) met zijn sprankelende muzikale inventie, of het orkeststuk De Hemel (1990). Op het vlak van de religie bepleit hij daarentegen juist dialoog en verzoening. ,,Al die abjecte, absolutistische geloven moeten met elkaar om de tafel gaan zitten. Dan kunnen ze namelijk onmogelijk volhouden dat alleen zij maar gelijk hebben. Een vriend van me klaagde laatst over al die moskeeën die er gebouwd worden. Als de architecten maar zorgen dat ze een goede akoestiek hebben, zei ik hem. Want over honderd jaar zijn het allemaal concertzalen. Die imams gaan het nog flink op hun brood krijgen, dat zie je al aankomen onder de jongste generatie Marokkaanse schrijvers. Religieus fanatisme, dat gaat in Nederland één, hooguit twee jezuslevens mee.''

Morgenavond speelt het Koninklijk Concertgebouworkest, na de première van gisteravond, de `Derde symfonie'. Uitzending op Radio 4 op 20 mei, 14.00u. Op 21 mei worden in Vredenburg Utrecht vijf composities van Schat uitgevoerd, waaronder drie wereldpremières: `Rondgang', `To Whom' en `The Wallpeckers'. Op dezelfde dag organiseert de Faculteit Letteren van de Universiteit Utrecht een mini-symposium rondom Peter Schat: `De Toonklok in Perspectief', 21 mei 13.00-17.00u, Drift 21, Utrecht. Op 25 mei wordt in Musis Sacrum in Arnhem het `Lenteconcert' uitgevoerd.

`We leven hier

in het dromenland

van de dilettant'

`Oudere stukken van mezelf horen

vind ik zeer interessant'