Vergeten de dag te plukken

In 't Is zo weer nacht, haar romandebuut, voert Joyce Roodnat ons terug naar een tijd waarin vrouwen geen onderbroeken droegen maar directoires en mannen geen lange broeken maar pantalons. Naar de tijd ook van de spuuglok, het valies en de charlestonjurk en van de stomme film die langzaam maar zeker vervangen zou worden door de film met geluid. Koningin Wilhelmina regeerde, de eerste zeppelin werd opgelaten en in Amerika werd de Lindbergh-baby ontvoerd en maanden later dood teruggevonden. Vooral ook was het de tijd van de crisis, na de grote beurskrach van 1929. Roodnat, chef kunst van NRC Handelsblad, maakt met kennelijk plezier gebruik van deze en andere historische feiten om haar verhaal luister bij te zetten.

Kees, een muzikant, wordt 's ochtends gewekt door het `gnuiven' van de windmolens van Kinderdijk, zoals het fraai heet, zolang hij nog thuis woont bij vader, Moe en zijn twee zussen. Het gegnuif van die molens lijkt vooral bedoeld om een soort tegenwicht te bieden tegen het overwegend stadse karakter van de roman. Die tegenstelling is ook zichtbaar in de verschillende registers die Roodnat gebruikt. Aan de ene kant is er, op zijn Kinderdijks, `de griet van die nacht', `het slappezakkige orkest' of een botte opmerking over violisten: `Aanstellers waren het, allemaal'. Aan de andere kant wordt er juist heel verfijnd gewag gemaakt van `de nerven van de klanken' en wordt er `gegieberd' in plaats van gelachen of gegiecheld.

Kees speelt fluit, eerst in een variété-orkest in het Rotterdamse Grand Théâtre aan de Pompenburgsingel, van `meneer Tuschinski', later sluit hij zich aan bij een circusorkest dat hem naar Lissabon voert. Vervolgens keert hij via Madrid en Parijs terug naar huis, steeds moeizaam de kost verdienend in gelegenheidsorkestjes of op straat. Zijn fluit, ooit gemaakt van een klomp familiezilver, is zijn kostbaarste bezit, totdat hij er te oud voor wordt en er niet meer op kan spelen. Dan verkoopt hij het instrument voor een appel en een ei en jaagt hij de opbrengst erdoor in de kroeg, waar hij toch al veel tijd doorbracht. Van veelbelovend muzikaal talent tot drankorgel, zo zou je de wat sippe levensgeschiedenis van Kees kunnen samenvatten.

Fluitconcert in D

Het leven is maar kort en aan alles komt een einde, zo moet de nuchtere slotsom van de roman wel luiden. Of, zoals de geduchte Moe het uitdrukt: `pluk de dag, want 't is zo weer nacht'. Dag en nacht worden hier door Roodnat aanschouwelijk naast elkaar gezet. Wij volgen Kees op zijn reis door Europa, als hij in de twintig is, in de kracht van zijn leven dus. Hij probeert zijn geld te verdienen en tussen de bedrijven door sleutelt hij aan de uitvoering van zijn favoriete stuk, het fluitconcert in D van Mozart. Dit verhaal wordt bruut afgewisseld met flitsen van de crematieplechtigheid van Kees, een kleine zeventig jaar later. Ruimte voor gedachten over een eventueel Jenseits wordt hier niet geboden. `Weg is weg, dood is dood', zoals een van zijn kleinkinderen het oneerbiedig uitdrukt. Ook maîtresse Hanna koestert niet alleen mooie herinneringen, maar ziet ook een `stramme kolos van kaarsvet' voor haar geestesoog opdoemen als ze aan haar overleden geliefde denkt.

Tijdens het leven moet het gebeuren, kortom. Dan moet een mens er het beste van zien te maken. En het beste betekent hier zoveel als: genot, in het bijzonder kunstgenot. Muziek en dans vormen de grote passies van Kees, meteen gevolgd door zijn derde genotmiddel: de vrouw. Elke `griet' hoopt tegen beter weten in zijn grote liefde te zijn, terwijl hem iets anders voor ogen staat: `Hoe konden ze weten dat Kees hun lichaam smeekte om hem alsjeblieft opnieuw te laten versmelten met de muziek van zopas?' Hij wil zijn zaadoffer wel brengen, begrijp ik, maar zijn genot staat op een hoger plan dan de dames kunnen bevroeden. Toch wringt hier, in het passionele, de schoen. Dat deze nuchtere Kinderdijker een ander wordt als hij in de ban raakt van de muziek, dat wil ik nog wel geloven. Maar de kloof tussen de `dooie diender' die hij van huis uit heet te zijn – en inderdaad valt hij een roman lang op geen enkele memorabele uitspraak te betrappen – en de vurige filmheld die hij wordt als hij de dansvloer opgaat, is wel erg groot. Hij slaat `vonken in het volk' en doet succesvolle grepen naar `verblufte meisjestailles' (`Pang! Klemvast.') Zijn metamorfose doet te gekunsteld aan om te kunnen overtuigen. Iets vergelijkbaars is er aan de hand met de stijl van Roodnat. Dat ze mooi kan schrijven, mag onder andere blijken uit deze beeldende zin over de lange, dunne benen van Kees: `Schraal stond hij op benen die duurden tot boven zijn middel en die herinnerden aan sloten en velden'. Maar vaak doet ze er nog een schepje bovenop en dan wordt het te opgewonden, op het geëxalteerde af. Dan is er bijvoorbeeld sprake van `Mozarts kruidige juichen' of van een `schaterende' D in het al eerder genoemde fluitconcert. In het algemeen doet haar taalgebruik impressionistisch en daardoor soms wat onmachtig aan. `Ze stippestapte op hem af', heet het ergens, of `hij zweefvloog weg'. Ook legt ze zich toe op de ouderwetse vermenging van zintuigelijke indrukken, op `schreeuwende handen', `furieuze knieën', `lenig zonlicht' of op een `dikke stank' die door een raam naar binnen `sukkelt'.

Lindbergh

Deze beeldenrijkdom kan niet verhullen dat Kees een wat miezerig en horkerig persoon blijft en dat al zijn talent hem niet verder brengt dan wat gefluit in de marge. Gelukkig weet hij één min of meer sympathieke daad te stellen. Hij vat liefde op voor het kind dat een Portugese danseres van hem krijgt. Aanvankelijk moest hij niks hebben van deze `big' die mag lebberen aan borsten die eerst alleen van hem waren en deze jaloezie luidt ook meteen het einde van de verhouding in. Maar als hij het kind twee jaar later terugziet in Lissabon, in deplorabele omstandigheden, dan ontbrandt zijn vaderliefde alsnog en ontvoert hij het kind in een opwelling.

De episoden met de aandoenlijke Bas zijn onthullend, omdat daarin eindelijk iets doorschemert van wat de man eigenlijk van het leven wil: liefde, geborgenheid. Met Bas vormt hij een vanzelfsprekend `wij', dat hem aan een paradijselijk vroeger herinnert. Hier is belangeloze genegenheid in het spel, die wederzijds is. Maar de vreugde is van korte duur. De Lindbergh-affaire, door Roodnat listig ingevlochten in de roman, dringt door tot in Parijs, waar Kees net is aangekomen, op doorreis naar Rotterdam. Een vader alleen op stap met een zoontje dat net zo oud is als het vermiste Lindbergh-kind: dat wekt argwaan. Omdat de grenzen streng bewaakt worden en Kees zich ineens realiseert dat hij zijn eigen kind heeft ontvoerd, blijft hij zo lang hangen in Parijs dat er zich weer een vrouw aandient. Hij trouwt met haar om een alibi te hebben. Een week later wordt alsnog het lijkje van het Lindbergh-kind gevonden. Maar dan zit hij al vast aan Suzette, die in een bloedige strijd met haar stiefzoon verwikkeld raakt om de aandacht van Kees. Daarom loopt het ook met Bas, die bij Moe gedumpt wordt, niet goed af. Hij eindigt als een zwaarlijvige, sombere hartpatiënt.

Het lukt me niet echt om deernis te voelen met de stakkerige levens die hier even oplichten om tenslotte als een nachtkaars weer uit te gaan. Maar misschien is dat ook niet nodig. Misschien heeft Roodnat, met alle beeldende kracht die ze in zich had, niet meer willen zeggen dan dat Kees de waarschuwing van Moe in de wind heeft geslagen. Hij heeft het nacht laten worden zonder de dag met wortel en tak te hebben uitgerukt.

Joyce Roodnat: 't Is zo weer nacht. Contact, 238 blz.ƒ36,90

Nederlandse literatuur