Pancevo wanhoopt over `perfecte moord'

De VN-milieuorganisatie UNEP heeft op de Balkan tientallen ecologische hot spots onderzocht – plaatsen waar sprake is van milieurampen. Pancevo, bij Belgrado, werd in de Kosovo-oorlog een milieuprobleem.

,,Ik ben de burgemeester van een ongelukkige stad', zegt Borislava Kruška. ,,Een wanhopige stad.' Ze heeft wallen onder de ogen. De stress staat haar op het gezicht te lezen. Pancevo, vijftien kilometer van Belgrado, was twee jaar geleden in de Kosovo-oorlog met Novi Sad het favoriete doelwit van de NAVO-bommenwerpers. Een barokstad aan de Donau, met 80.000 inwoners, plus nog eens 50.000 in de omgeving. Een barokstad met de pech van een industriële zone aan de zuidrand van de stad.

Drie fabrieken liggen in die zone, naast elkaar, een olieraffinaderij, een kunstmestfabriek en een petrochemische fabriek. Drie kanjers van fabrieken. Kanjers van werkgevers. Toen. Nu: drie kanjers van milieuproblemen.

,,We zijn hier, met die drie grote fabrieken naast elkaar, altijd bang geweest voor een milieuramp', zegt Borislava Kruška. ,,Maar bombardementen? Wie had dat kunnen denken? Dat de olieraffinaderij een doelwit van de NAVO was – okee. Maar de petrochemische fabriek? En de kunstmestfabriek? Kunstmest en plastics zijn toch niet van militair belang?'

Bij de NAVO-bombardementen op de petrochemische fabriek kwamen 460 ton vinylchloride monomer (vcm), een grondstof voor pvc, vrij. ,,Vcm is verschrikkelijk giftig', zegt Borislava Kruška. ,,Overal elders is het toegestane percentage vcm in het milieu nul. In Joegoslavië is een heel kleine hoeveelheid toegestaan, maar is het verboden daar langer dan een kwartier aan blootgesteld te zijn. Na de bombardementen werd hier een hoeveelheid vcm geconstateerd van 10.500 keer dat maximum. En vcm verdwijnt, nu is er niets meer terug te vinden, maar straks gaan de mensen dood aan de gevolgen. En dan weten we niet eens zeker of ze aan de gevolgen van vcm zijn gestorven', zegt de burgemeester. ,,Het is perfecte moord.'

Vcm is niet haar enige hoofdpijn. Na de bombardementen verbrandde 70.000 ton olie, 30.000 ton olie kwam in de grond en de Donau terecht. Vijf dagen bleef de olie branden. ,,De regen was zwart', herinnert Kruška zich. Acht ton kwik (in de petrochemische fabriek gebruikt voor electrolyse) kwam in de grond terecht – vier ton is dankzij UNEP, de VN-milieuorganisatie (voor een deel met geld van de Nederlandse regering), geborgen, maar vier ton kwik zit nog steeds in de grond. Kwikdampen zijn kankerverwekkend.

Het ergste is de EDC, dat gebruikt wordt voor de productie van plastics. EDC staat voor 1,2 dichloroethaan. Het is, net als kwik, uiterst gevaarlijk. Daar komt bij, zegt Kruška, dat niemand weet wat er gebeurt als EDC ondergronds in aanraking komt met andere stoffen - met kwik bijvoorbeeld. Bij de bombardementen is op het terrein van de petrochemische fabriek 2.100 ton EDC weggelekt uit stukgeslagen tanks. Duizend ton eindigde in de Donau, de rest zakt – het is zwaarder dan water – elke dag verder weg in de grond, en in het grondwater. Het is bovendien, anders dan vcm, zeer stabiel, het wordt niet makkelijk afgebroken. EDC, zegt Borislava Kruška, zal ons leven nog jaren bepalen. ,,We praten hier over chemicaliën en tonnen. Maar voor ons gaat het over kanker, gaat het over ons leven, onze gezondheid, onze voedselketen. Het gaat over onze kinderen', zegt Borislava Kruška.

Het enige geluk was dat enkele dagen vóór de bombardementen tanks met 9.500 ton ammoniak zijn geleegd. Met man en macht heeft men gewerkt om de gevaarlijke stof te bergen voordat de NAVO-bommenwerpers zouden komen, zegt Kruška. Uiteindelijk is `slechts' 400 ton ammoniak in het grondwater en de Donau terechtgekomen. Was de voorzorgsmaatregel niet genomen, dan waren hier heel veel doden gevallen.

Wat al deze milieu-ellende twee jaar na dato voor de gezondheid van de inwoners betekent weet Kruška nog niet: de statistieken zijn niet betrouwbaar. Maar, zegt ze, er is hoe dan ook sprake van een toegenomen sterfte door hartproblemen onder jongeren. Vreemde ziekten duiken op, botkanker bij honden bijvoorbeeld, een ziekte die nooit eerder is geconstateerd. Vorig jaar stierven tien honden door botkanker. ,,Ik kan alleen maar hopen dat het geen indicatie is van wat ons nog te wachten staat.'

Inmiddels is de productie bij de drie bedrijven hervat, nog voordat de grond is schoongemaakt. Tienduizend mensen zijn of gaan er weer aan het werk. Kruška ziet dat niet graag, maar een burgemeester heeft geen jurisdictie over wat staatsbedrijven doen.

Dmitar Krivokuca is technisch manager van de petrochemische fabriek HIP. Hij werkt er al 26 jaar: het is zijn kind dat werd gebombardeerd. Aan de muur hangen ingelijst Westerse onderscheidingen: zijn HIP was high tech, werkte met Westerse standaarden. Krivokuca vertelt hoe acht van zijn mensen bij de bombardementen gewond werden, achttien anderen werden met EDC vergiftigd, sommigen van hen, zegt hij, zijn blijvend invalide.

EDC blijft, met kwik, het hoofdprobleem, zegt Krivokuca: ,,We zitten in de voortdurende zorg dat de EDC het drinkwater bereikt, en dus de voedselketen, of dat het in de Donau belandt, en via de vis in de voedselketen terecht komt. Het schoonmaken van de grond zal zeker een jaar duren. Niemand in de wereld heeft ervaring met het schoonmaken van met EDC vervuilde grond', zegt Krivokuca. ,,We pompen het grondwater op en geven het een biologische behandeling. Of het werkt? We weten het niet', zegt hij.

Dat hier weer mensen werken, nog vóór de schoonmaak, vindt hij geen probleem: hij werkt er zelf. ,,Gevaar is er alleen bij werk ondergronds. Elektrische kabels moeten worden gelegd, gerepareerd, vervangen. Daarvoor moet de grond open. Al toen we de zaak onderzochten, is het tot vergiftigingsgevallen gekomen.'

En hij leidt zijn gasten rond, langs de door bommen en bomscherven getroffen buizenstelsels en de als proppen papier verfrommelde opslagtanks. Kijk hier, gaten van shrapnel, zegt hij. Kijk, uit die tanks liep de EDC weg. Daar liep de olie – die de zuiveringsinstallaties onberuikbaar heeft gemaakt: een aanvullend probleem. De rondleiding eindigt bij het afwateringskanaal dat al die vervuiling naar de Donau heeft geleid. ,,In twee jaar is hier niets gebeurd,' zegt een van zijn ingenieurs bitter. ,,De regering heeft geen geld, de stad heeft geen geld. Hoeveel buitenlandse delegaties hebben we hier al rondgeleid? Allemaal beloven ze van alles. Maar is twee jaar is alleen wat kwik opgeruimd, verder niets. Soms denk ik: ik zou die troep wel zelf willen opruimen, met mijn blote handen.' Op het stille water drijft een laagje olie en tussen het riet is het water zwart.

Dit is het laatste deel van een serie over milieuproblemen op de Balkan. De vorige werden gepubliceerd op 12, 14, 15 en 16 mei.