Mijn vader

Mijn vader, geboren in 1903, hield veel van zijn tinca tinca. Dat is een zoetwatervis van ongeveer veertig centimeter die gewoon `zeelt' heet. De zeelt had hij gekocht om in zijn vijver te laten zwemmen. De vijver had hij zelf gegraven. Het was een diepe vierkante put met opstaande randen in onze voortuin. Toen de vijver klaar was, metselde hij er blauwe en oranje tegeltjes omheen. Achter de tegeltjes brandden lichtjes. Als de fontein sproeide, zag je vooral 's avonds een prachtige regenboog. Er bloeiden lissen en riet, en waterlelies in allerlei kleuren.

Toen er al maandenlang goudvissen zwommen, vond hij het een beetje saai worden en daarom besloot hij een zeelt te kopen. Mijn vader noemde de zeelt Ralph, dat vond hij een mooie Amerikaanse naam. Als het water helder was, zag je Ralph stilletjes op de bodem liggen. Op mooie zomeravonden zat mijn vader tevreden bij de vijver en rolde balletjes nat brood om aan Ralph te voeren. Als die naar boven zwom, leek het net of hij ons kende.

Toen de kinderen in de straat in de gaten kregen dat er zo'n grote vis in de vijver zat, gingen ze stiekem stenen naar hem gooien. Mijn vader zat binnen woedend aan zijn sigaar te trekken als hij weer een plons hoorde. Een keer stormde hij de voordeur uit, pakte de stenengooiers, hield ze ondersteboven met hun koppen in de vijver tot ze naar adem snakten. Huilend gingen ze naar huis. Het kon mijn vader niets schelen.