Kraakhelder bouwen

De ontwerpen van J.J.P Oud maakten indruk in binnen- en buitenland, vooral op de Amerikaanse architect Philip Johnson. Oud zelf tobde vaak met de strenge opvattingen van het modernisme.

Niet Rem Koolhaas maar J.J.P.Oud (1890-1963) was in de twintigste eeuw de eerste moderne sterarchitect van Nederland. Vooral toen hij als ontwerpend architect binnen de Gemeentelijke Woningdienst van Rotterdam werkzaam was, van 1918 tot 1933, ontwikkelde Oud zich op papier als een gedreven polemist en theoreticus. Hij raakte intensief betrokken bij De Stijl, ontpopte zich als de toonaangevende ontwerper van het moderne wonen en hield voordrachten in binnen- en buitenland. Zijn lezing `Over de toekomstige bouwkunst en hare architectonische mogelijkheden' (1921) werd in alle moderne talen vertaald en was waarschijnlijk de eerste internationale bestseller op het gebied van de moderne architectuurtheorie. Deskundig bespeelde Oud de media. In kranten, tijdschriften, boeken en op tentoonstellingen presenteerde hij steeds dezelfde, zorgvuldig uitgekozen beelden van zijn architectuur. Het hoogtepunt van zijn geraffineerde beeldregie bereikte hij met de foto's van de ook in werkelijkheid ongeëvenaarde woningbouw in Hoek van Holland (1924-1927). De beelden van de ronde hoekpanden met de uitkragende betonluifels boven de glazen winkelpuien maakten furore in Duitsland, Frankrijk en Amerika.

De fameuze show in 1932 in het Museum of Modern Art (MOMA) in New York, The International Style, Architecture since 1922, bracht Oud op het voorste plan van de Moderne Beweging. Hij werd in New York gepresenteerd als één van de vier grote Europese functionalisten. De andere drie waren Walter Gropius, Mies van der Rohe en Le Corbusier. De bouwkunst van deze vier triomfeerde op het erepodium in het Amerikaanse walhalla van de moderne kunst. Van Oud waren tekeningen, maquettes en foto's te zien van, naast `Hoek van Holland', onder andere de woningbouw in Rotterdam (Kiefhoek, 1925-30) en van de vijf huisjes op een rijtje die hij voor de Weissenhofsiedlung in Stuttgart (1927) had ontworpen.

Het zijn deze zuiver uitgewogen woonblokken, in Rotterdam en Hoek van Holland neergevleid in een uniform stratenpatroon, waarmee hij zich tot grootmeester van de nieuwe, beeldende architectuur maakte. Het kleurige Café de Unie (Rotterdam, 1925) was daarbij een opwindende toegift en vooral bedoeld om te onderzoeken hoe architectuur en reclame op een vanzelfsprekende manier konden worden samengebracht.

De sleutelwerken die in 1932 in New York werden getoond, zijn nu onderdeel van een grote overzichtstentoonstelling van het oeuvre van J.J.P.Oud die vandaag opent in het Nederlands Architectuurinstituut (NAi) in Rotterdam. De titel van de expositie luidt `J.J.P. Oud - Philip Johnson, een dialoog'. Waarom Johnson erbij is gehaald moet nader verklaard.

Philip Johnson is een van de eigenaardigste fenomenen in de Amerikaanse architectuur. Hij werd in 1906 geboren, leeft nog steeds, en heeft het progressieve architectuurcircus in de Verenigde Staten bijna een eeuw lang als een uitgelaten vorst gedirigeerd. Met geld van zijn vader, een advocaat in Cleveland, creëerde de jonge Johnson rond 1930 in het Newyorkse MOMA een architectuur-afdeling waarvan hij zelf de leiding nam. Hij was toen nog historicus, maar zou later ontwerper worden. In datzelfde jaar 1930 reisde hij met zijn vriend, de kunst- en architectuurhistoricus Henry-Russell Hitchcock naar Europa om materiaal te verzamelen voor het boek en de tentoonstelling The International Style. In Stuttgart zagen zij de woningtentoonstelling Weissenhofsiedlung en waren zo enthousiast over Ouds doordachte, stralend witte blokje met de vijf rijtjeshuizen dat zij hem onmiddellijk in Rotterdam gingen opzoeken. Ouds kraakheldere architectuur imponeerde Johnson dermate hij hem meteen de opdracht gaf een huis voor zijn moeder in Pinehurst, North Carolina, te ontwerpen.

Helden

Een kartonnen model van het Johnson-huis werd in 1932 tentoongesteld op de show in New York en is nu ook in Rotterdam te zien. Het is niet moeilijk in het ontwerp de invloed van de andere helden van de International Style te ontdekken. De aan alle kanten opengemaakte woon- en eetkamer doet aan de stijl van Mies van der Rohe denken. Het plastische gebaar van binnen- en buitentrap aan Le Corbusier en de vrijstaande `sun room' ademt de geest van Frank Lloyd Wright. Als gevolg van de financiële crisis in de jaren dertig is het huis voor de familie Johnson nooit gebouwd.

De professionele en persoonlijke banden tussen Oud en Johnson zijn altijd blijven bestaan, maar werden op den duur misschien wat eenzijdig. Johnson wilde graag gebruik maken van de groeiende bekendheid van Ouds architectuur en geschriften in de Verenigde Staten. Voortdurend nodigde hij de `protagonist bij uitstek van de moderne stijl' uit om naar Amerika te komen. Hij lokte hem met gastdocentschappen, universitaire aanstellingen, lezingen en zelfs met een mogelijke ontwerpopdracht voor een uitbreiding van het MOMA. Oud legde alle uitnodigingen stoïcijns naast zich neer. Hij reageerde hooguit met het sturen van een nieuw, of een verbeterde versie van een oud artikel naar de overkant van de oceaan. Het is niet goed voor te stellen dat iemand die zo gefascineerd was door de moderne metropolitane cultuur, door jazz, film, reclame, auto's, kleding, door de hele vooruitstrevende rataplan, nooit een voet op Amerikaanse bodem heeft gezet.

Voor het NAi was de prominente rol van Johnson in het leven en werk van Oud aanleiding om hem uit te nodigen een inrichtingsplan voor deze tentoonstelling te maken. Dat kon de hoogbejaarde nestor niet meer opbrengen. Wel beloofde hij een architectonisch object te ontwerpen waarmee hij achteraf zijn visie geeft op het werk van Oud. Omdat hijzelf niet meer tot reizen in staat is, stuurde Johnson tekeningen en een model naar Rotterdam.

Het resultaat is een immense installatie die reikt tot aan de open roosters van de zoldervloer boven de grote expositiezaal. Een breed lint is in een luie neerdwarreling opgekruld en verstijfd. Het is alsof het Newyorkse Guggenheimmuseum van Frank Lloyd Wright als een appel in één beweging met een mesje van zijn schil is ontdaan. En het is gelukt, de schil is heel gebleven - mag je dan niet een wens doen - en vormt als een schuingezakte spiraal een smetteloos witte, rondlopende wand. Johnson noemde zijn beeld Welcoming Arms, maar over wat hij daarmee bedoelt, zwijgt hij als een sfinx. Die geheimzinnigheid past wel bij Oud. In de eerste alinea van het voorwoord van de catalogus wordt hij omschreven als `een van de meest raadselachtige en onbekende architecten uit de geschiedenis van de moderne architectuur in Nederland'.

Vreugdeloos

Maar is raadselachtig eigenlijk wel het juiste woord? Wie het werk bekijkt, de geschriften bestudeert van de moderne bouwmeester, vooral uit de periode ná 1933, krijgt eerder de neiging om het woord tragisch te gebruiken. En ook zelfs de periode van vóór 1920, de jaren van zoeken en uitvinden, de jaren van De Stijl maken geen opgewekte indruk. In wezen was Oud een vreugdeloos heerschap, vroeg of laat altijd in de knoop met door hem bewonderde kunstenaars en tussendoor zag hij overal spoken, vooral als het om de toepassing gaat van kleur in de architectuur.

De tentoonstelling werpt op deze tobberige zijde van Ouds persoonlijkheid niet veel licht. Dat kan ook moeilijk. Tekeningen, foto's en maquettes zijn nu eenmaal niet loslippig. Zij laten beelden zien en nodigen uit tot mooi, lelijk of onverschillig. Drie categorieën die in het oeuvre van Oud overigens opmerkelijk evenwichtig vertegenwoordigd zijn.

Voor alle discussies, controverses, brouilles, hoofdbrekens of kalme overwegingen die uiteindelijk wel of niet tot een bepaald werkstuk van bouwkunst hebben geleid, moet de catalogus uitkomst bieden. Daarom wedijvert dit boekwerk, in volume en gewicht, moeiteloos met de bijbel S,M,L,XL van Rem Koolhaas.

De zwaarwichtige wereld van Oud ligt in deze baksteen besloten. Er wordt heel wat af geredekaveld en gecorrespondeerd. Bijvoorbeeld over de binnen De Stijl heftig levende discussie over `opzettelijkheid' en `onopzettelijkheid' in de beeldende kunst en architectuur. Oud maakte er bijna een halszaak van. Architectonische schoonheid was volgens hem niet het uitgangspunt van een ontwerpproces, maar het resultaat. Eigenlijk de oerstelling form follows function. Maar, zo hief Oud zijn vinger, tussen het leven en het ontwerp stond de persoonlijkheid van de kunstenaar en de architect. Zijn taak bestond uit de `onderworpenheid aan de opgave tot aan de grens van zelfverzaking'. Ingewikkelde kwestie. De ontwerper heeft een fundamentele rol, maar mag niet zomaar met allerlei vormen en kleuren tussen beide komen.

Het grote voorbeeld van onopzettelijke vormgeving kwam uit de industriële techniek. De elektrische huishoudelijke apparatuur was per definitie onopzettelijk, net als de locomotief, en de manier waarop het verkeer en de reclame zich in het stadsbeeld manifesteerden. Die andere grote, moderne Nederlandse architect, Gerrit Rietveld, schreef over dit onderwerp een briefje aan Oud, die soms onder zijn eigen ernst dreigde te bezwijken: ,,Wees vooral voorzichtig teveel onopzettelijkheid te zien in mechanische dingen.''

Rietvelds briefje weerhield Oud niet om zijn omgeving rabiaat op `opzettelijkheid' uit te kammen. Theo van Doesburg sneuvelde. Le Corbusier moest eraan geloven. De zeer door Oud bewonderde Mondriaan werd een twijfelgeval. De organisatie van moderne architectecten De Opbouw keerde hij de rug toe. Het was zijn verzet tegen het historisch materialisme, tegen manipulatie en propaganda. Weerzin tegen de bij aanhangers van het Nieuwe Bouwen gegroeide gewoonte om onder het mom van wetenschappelijke objectiviteit de eigen vormentaal als een noodzakelijkheid te presenteren en al het overige als `romantiek' af te doen. In 1941 schreef hij aan de secretaris van De Opbouw: ,,Laat men al die theorie, al die reclame, al dat cijferen en verantwoorden; kortom: laat men al die remmen nu eens loslaten en gewoon doen. Laat men het nu eens `lekker' doen. Een huis bouwen, eenvoudig weg, zoals men het plezierig zou vinden om in te wonen. Niet denken aan het goede gedrag als theoreticus en desnoods dwars tegen het beginsel in, maar gewoon echt: van binnen uit.''

kritiek

Oud schreef deze wanhopig klinkende woorden nadat hij twee grote gebouwen had ontworpen die stormen van kritiek hadden losgemaakt. Het eerste was het prijsvraagontwerp voor het raadhuis in Amsterdam op het Frederiksplein (1936-1937). Een zwaar, representatief complex compleet met een zegevierende zuil in het midden. De jury, met conservatieve architecten als S. van Ravesteyn, M.J. Granpré Molière en A. van der Steur, schonk geen enkele aandacht aan Ouds inzending. Dat deed wel Le Corbusier die toevallig een kijkje kwam nemen naar de anoniem tentoongestelde plannen in het Amsterdamse Stedelijk Museum. Over Ouds ontwerp zei hij: ,,Het verbindingsstelsel is verward, het is een boom zonder stam. Hier manifesteert zich een karakteristieke tendens van een bouwkunst die uitgaat van lege interieurs en niet van de natuurlijke geboorte van een organisme.'' Ongeveer in dezelfde tijd dat Le Corbusier Oud verweet een boom zonder stam te hebben ontworpen, was Ouds ergernis over deze arrogante paus van het modernisme zo hoog gestegen dat hij in een artikel noteerde `Le Corbusier is passé. Van een oud boerenhuis valt meer te leren'.

Na het prijsvraagontwerp voor het Amsterdamse stadhuis volgde het BIM-gebouw in Den Haag (1938) aan de Wassenaarseweg. Bij dit reusachtige kantoorgebouw was de `onopzettelijkheid' volledig uit het oog verloren. In de vorm van vele varianten op de Shell-schelp kreeg de ornamentiek in het hoofdkantoor van de Bataafsche Import Maatschappij alle kans en zelfs de classicistische symmetrie was in deze prestige-kathedraal binnengedenderd. Alle hero's van de preutse Moderne Beweging vielen van hun stoel, inclusief Philip Johnson. ,,Ik weet niet meer wat te zeggen,'' reageerde hij, ,,het gebouw lijkt mij eerder een terugkeer naar de Hollandse traditie dan een stap voorwaarts in de moderne internationale architectuur.''

Sinds het prijsvraagontwerp voor het Amsterdamse stadhuis en de verwezenlijking van het BIM-gebouw in Den Haag raakte het oeuvre van J.J.P. Oud op het spoor van de onverschillige reactie. Misschien met één uitzondering: het Bioherstellingsoord dat tussen 1952 en 1960 tot stand kwam. In dit complex in de Arnhemse bossen krijgt de zuivere moderne architectuur van weleer nog eenmaal een kans. Geen zegevierende zuilen, geen spoor van ornamentiek. Heel hygiënisch en schoon allemaal. In het oeuvre van Oud is het Biovakantie-oord ouderwets modern.

`J.J.P. Oud - Philip Johnson, een dialoog'. Tentoonstelling in het Nederlands Architectuurinstituut, Museumpark, Rotterdam. Van 19 mei t/m 9 september 2001. Openingstijden: di 10-21 uur, wo t/m za 10-17 uur, zon- en feestdagen 11-17 uur.

Catalogus: J.J.P. Oud 1890-1963, Poëtisch functionalist, Compleet werk. NAi uitgevers, 576 pagina's, ƒ 150,-.

Oud, die zo gefascineerd was door het moderne, heeft nooit een voet op Amerikaanse bodem gezet

Oud: ,,Laat men een huis bouwen, eenvoudig weg, zoals men het plezierig zou vinden om in te wonen''