`Ik hoor Dostojevski's zinnen vaak in mijn hoofd'

Gerrit Krol ontvangt vandaag de P.C. Hooftprijs voor zijn hele literaire werk. ,,Hoe meer je schrijft, hoe sneller je verandert.''

Krol verklaarde ooit dat hij de P.C. Hooftprijs niet vóór zijn vijfenzestigste wilde hebben, ervan overtuigd dat hij hem daarna wel zou krijgen. ,,Ik weet best wat ik waard ben'', zegt de schrijver in zijn werkkamer thuis, in de omgeving van Assen. ,,Ik vraag me wel eens af waarom niet iedereen dat ziet.''

Gerrit Krol (Groningen, 1934) schreef sinds hij begin jaren zestig debuteerde vele romans, verhalen, essays, gedichten en columns. Tot zijn pensioen werkte hij als computerprogrammeur voor de Koninklijke/Shell en later als systeemanalist voor de Nederlandse Aardolie Maatschappij; hij schreef hierover in In dienst van de `Koninklijke' (1974) en 60000 uur (1998). Recent verschenen van Krol de roman De vitalist en de poëziebundel Geen man, want geen vrouw. Afgelopen maart en april gaf hij als gastschrijver twee maanden college aan de TU in Delft, over cultuur en techniek.

Uit Het gemillimeterde hoofd, 1967: `Werther Nieland bijvoorbeeld heb ik al talloze malen doorgenomen en De zachtmoedige, daar lees ik bijna dagelijks in.'

Krol: ,,Dat is een beetje overdreven. Je zegt het makkelijk, hè, ik heb dat boek al honderd keer gelezen. Dat is natuurlijk niet zo, maar in wezen is het wel zo. Een boek als De zachtmoedige van Dostojevski bevat zinsneden die ik regelmatig in mijn hoofd hoor klinken, omdat ze toen indruk hebben gemaakt, en dat is met Werther Nieland ook het geval.''

Geeft u eens een voorbeeld.

,,Hele onnozele zinnen soms. Op een zeker moment houdt de pandhuishouder, de hoofdpersoon van het boek, een koetsier aan. Hij stuurt hem weer verder, want hij heeft hem toch niet nodig, maar geeft hem wel geld voor het ongemak. En dan staat er het zinnetje `ik lachte hem op zinneloze wijze in zijn gezicht'. Dat is heel mooi Nederlands.''

Onder welke omstandigheden las u `De zachtmoedige' voor het eerst?

,,Ik haalde het aan de balie van de leeszaal, ik weet niet meer hoe ik op die titel kwam. Een jaar of zestien was ik. Op een zaterdag vroeg in de middag begon ik te lezen en om een uur of vijf had ik het uit. Ik was daar zo door aangegrepen dat ik het boek onmiddellijk opnieuw ben gaan lezen. Om een uur of negen 's avonds had ik het weer uit. Er kwam een vriendje langs, ik wou hem het boek meegeven, want ik wou dat het nog een keer gelezen werd.

,,Toen ben ik meer van Dostojevski gaan lezen. Dikke boeken schrikken mij trouwens altijd wat af, die kan ik niet in één keer uitlezen. Als ik een boek in een keer uit kan krijgen,

dan vind ik dat een voordeel van het boek. De speler heb ik vlak daarna gelezen maar dat sprak me minder aan. Ik heb geen neiging tot gokken, dus dat boek gleed langs me heen. Bij De zachtmoedige herkende ik me in de pandjesbaas, die ouder is en gehoorzaamd wordt door een jong meisje, terwijl hij aan de andere kant ook in vlagen van bewondering aan haar voeten ligt als een dweil. Dat laatste heb ik nooit gedaan, maar het zit wel in mij om het te willen. Ja, zo één wilde ik wel zijn.''

U was jong en onervaren, en die pandjesbaas is al door het leven teleurgesteld.

,,Ja, die had een hoop meegemaakt. Toch leek ik op hem. Toch voelde ik: als ik eenmaal zo oud ben, dan ben ik ook zo. Ik heb me daar ook over verbaasd, want ik had eigenlijk de leeftijd van die vrouw. Hoewel ik nog geen ervaring met vrouwen had en daar nog lang niet aan toe was, dacht ik wel dat ik later zo'n soort vrouw wilde hebben. Een vrouw die ook een eigen wil had; dat blijkt wel uit alles.''

Het is ook een beetje een ziekelijke vrouw.

,,Ik ben niet bang voor ziekelijke vrouwen.''

De hoofdpersoon komt, vooral in de eerste helft van het boek, over als een naar mens.

,,Hij is streng. Heel af en toe schemert ertussendoor dat ze samen ook wel gelukkig zijn geweest. Het past in elkaar: die vrouw is hulpbehoevend, misschien ziekelijk, dus hij is al gauw goed genoeg. En zo vindt hij dat ook: ze mag hem wel dankbaar zijn.''

Het is toch merkwaardig dat u zich als zestienjarige met zo'n man identificeerde.

,,Ik heb me nooit tegen het slechte verzet. Ik wou daar wel kennis mee maken. Ook omdat je via het slechte tot het goede komt, zoiets moet ik hebben gedacht.''

Het bleef beperkt tot een intellectuele interesse in het slechte?

,,Ik pas die interesse toe in mijn boeken, ik heb geen enkele behoefte om dat in de praktijk te brengen.''

Je hebt ook mensen die een moord plegen om te zien hoe dat is, dat gebeurt dan ook bijna uit een intellectuele interesse.

,,Je vergrijpt je dan toch aan een ander die daar verder niet van gediend is.''

U schrijft in `Het gemillimeterde hoofd' dat u de kracht die van `De zachtmoedige' uitgaat volledig in uw schrijven heeft opgenomen.

,,Met De zachtmoedige kreeg ik in één klap, op een zaterdagmiddag en -avond, de zekerheid dat met woorden alles mogelijk is. En het vertrouwen in mezelf, dat ik die woorden wel zou vinden.''

U had daarvoor nooit aan schrijven gedacht?

,,Ik had al wel de drang om te schrijven, maar ik wist niet precies waarover. Nou is dat niet zo'n erge handicap. Op mijn zestiende kreeg ik het vertrouwen dat ik het zou kunnen, omdat dat boek van Dostojevski zo op mij leek. Toen heeft het nog wel zo'n tien jaar geduurd...''

Toen u in dienst was heeft u al een aantal romans geschreven.

,,Ja, ik schreef me te barsten. Flarden ervan kwamen me onlangs onder ogen. Niet om te lezen, vreselijk.''

Was dat Dostojevskiaans proza?

,,Het was dweperig en een beetje pornografisch. Het eerste boek heb ik nog thuis aan mijn broertjes en zusje laten lezen, want hun grote broer had een boek geschreven. Mijn vader werd al zenuwachtig. Na een kwartier lezen had hij het bekeken, nam hij het werk in. Mijn vader was onderwijzer. Hij was helemaal niet blij dat zijn zoon zulke rare boeken schreef. Toen zou hij me uitleggen wat er mis aan was, en dat lukte hem niet — wat ik in triomf aanzag.

,,Vrij snel heb ik van dat vroege werk weggegooid wat ik lelijk vond. Een van de betere stukken is zes, zeven jaar later in Elseviers Weekblad geplaatst. Iemand zei een keer tegen mij: `ik ben een middelmatig dichter, weet je waarom ik dat weet? Ik heb alles bewaard'. Als je niet veel hebt, ga je hechten aan wat je hebt. Als je veel schrijft, als je went aan volume, dan heb je die oude probeersels niet nodig. Integendeel, daar wil je niet op lijken. Hoe meer je schrijft, hoe sneller je verandert.''

Uw werk vanaf 1967 heeft heel weinig met Dostojevski gemeen.

,,Later zijn er andere ijkpunten bijgekomen, natuurlijk. Maar de omslag van mijn stijl van beschrijvend naar mathematisch-bewijzend, ten tijde van Het gemillimeterde hoofd, dat heb ik niet van een ander. Ik heb dat van mezelf.''

Toch heeft u Dostojevski nooit verloochend.

,,Nee. Dat hoor je dan misschien te doen. Een ander voorbeeld van iemand die ik ook nooit verloochend heb, is Marsman. Ik heb me ooit overgeven aan de roes van het lezen van Marsman, een handjevol gedichten heeft me echt beïnvloed. De roes is later sterk afgenomen, maar ik verloochen het niet, zo ben ik niet gebouwd. Als het toen echt was, is het nu ook nog echt. Als ik Marsman lees, herbeleef ik gevoelens uit mijn jonge jaren, en dat is altijd prettig. Hetzelfde had ik toen ik onlangs De zachtmoedige integraal herlas.''

En viel u toen iets nieuws op?

,,Het was net alsof ik elke zin kende.''

F.M. Dostojewski: De zachtmoedige. Vert. Paul Rodenko. Van Oorschot, Deel 10 Russische Bibliotheek, met andere werken, 670 blz. ƒ77,50. In herdruk.