Het ontsluieren van moord en woord

Toen de jonge garde der Vijftigers iedereen omver wilde stoten, maakten zij een uitzondering voor Gerrit Achterberg. Paul Rodenko schreef in het vijftigersblad Blurb: `Dat zich in Nederland onder bepaalde jongere dichters een geheel nieuwe (nou ja, geheel nieuw: Achterberg blijft de grote figuur op de achtergrond) poëtische conventie aan het vormen is, lijdt voor mij geen twijfel.'

Omdat Achterberg (1905-1962) bovendien zijn hospita neerschoot en daarom jarenlang in een inrichting werd opgesloten, is er altijd veel over hem geschreven (onder meer in de Achterbergkroniek). Nog steeds wordt er veel over hem gepubliceerd. Zo is onlangs de biografie die Wim Hazeu in 1988 over Achterberg schreef in herziene versie op de markt gekomen, en verscheen van essayist en dichter Martien J.G. de Jong de essaybundel Een verre vrouw van taal. Over Gerrit Achterberg, zijn dichterschap, zijn leven en zijn interpreten. Deze uitgave van de Koninklijke Nederlandse Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde in Gent vormt het tweede deel van de serie `Studies op het gebied van de Nederlandse literatuur', die getuige de vormgeving en verspreiding van het boek voor een groter dan alleen academisch publiek bedoeld is. Maar wie het nog niet opgevallen was, merkt aan de vele voetnoten die vrijwel iedere pagina voor een derde opsieren wel dat deze bundel stevig verankerd is in de academische traditie.

De wetenschappelijke essays gaan precies over wat de titel belooft. Het gaat De Jong erom biografische feiten, lezersinterpretatie en een academische interpretatie samen te brengen in de analyse van verschillende gedichten. De Jong doet dat thematisch. Hij bekijkt onder meer de `Lof der vriendschap' (over Ed. Hoornik en bewonderaar en lange tijd Achterbergs `persoonlijk secretaris' Jan Vermeulen), Achterbergs lijfspreuk `Wat niet goed is, is niet geschreven' (waarmee hij de angst zijn laatste of een slecht gedicht te hebben geschreven probeerde in te dammen, maar ook de psychologen een stap voor probeerde te zijn in het geval hij onverhoopt een belastend woord zou hebben gedicht) en `Een verre vrouw van taal' (de in nevelen gehulde `haar' die Achterberg doodde en telkens terug trachtte te roepen in een soort eeuwigheidsverlangen).

Maar wat vooral duidelijk wordt, is dat er in het leven van Achterberg zo veel verdoezeld moest blijven. Ieder gedicht kon schadelijk zijn voor zijn invrijheidstelling, ieder woord van anderen en ieder gedicht dat een zekere `normaliteit' uitstraalde (hij ging door voor `gestoord') kon het einde van de tbr dichterbij brengen. Dus versluierden Achterberg, zijn vrouw en zijn vrienden de ware toedracht van Achterbergs verleden. De Jong tilt de sluier een stukje op in zijn interpretatie van Achterbergs gedichten.

Ondanks de tragiek van het onderwerp is Een verre vrouw van taal (ongewild) humoristisch. De schrijver ervan is zo dodelijk serieus bezig zijn eruditie en persoonlijke belevingen in stijve zinnen vorm te geven, dat hij prachtig laat zien hoe je over je eigen kritiek kunt uitglijden.

Neem zijn suggestie aan E. Hoornik voor een verhaaltitel, waarna in een noot de onkunde van Hoornik wordt blootgelegd: `A.M. de Jong publiceerde in 1940 de Hoornik klaarblijkelijk onbekend gebleven roman'. Het is een van de vele bevreemdende opmerkingen die deze bundel rijk is (`(ik interpreteer!)', `Ik denk dat Achterbergs biograaf wel gelijk heeft', `Ik citeer [...] en vraag aandacht voor').

De Jong is zo ernstig omdat hij nog enig oud zeer moet wegwerken. In 1971 vielen De Jongs essays, waarin hij biografische feiten en gedichten naast elkaar legde, in slechte aarde bij wetenschappers en bij mevrouw Achterberg. Dat zit hem nog steeds niet lekker. Dus deelt hij hier en daar wat klappen uit, ook aan biograaf Wim Hazeu.

Volgens De Jong zitten er gaten in Hazeus bronvermelding. Om dit aan te tonen, volgt vooral gefriemel in het notenapparaat, dat eigenlijk alleen voor de fervente Achterbergfanaat interessant is. Om de bronvermelding van zijn eigen betoog volledig dicht te timmeren komt De Jong met bron na bron na bron. Zie daar nog maar eens een speld tussen te krijgen, zal hij gedacht hebben. Toch, wie er de herziene vierde druk van de biografie van Hazeu op naslaat, merkt dat er best nog wat aan De Jongs brongebruik te morrelen valt.

Zo constateert De Jong dat de door Achterberg veranderde dichttitel `Droomballade' een anagram is van het oorspronkelijke `Moordballade'. Wie in de biografie duikt, ziet daar Achterberg hierover tegen een vriend zeggen: `Het zijn toch dezelfde letters'. Een gemiste voetnoot.

Hazeu heeft zich van De Jongs essays niets aangetrokken. In de aanvullingen op de biografie (die net als Een verre vrouw van taal ook persoonlijk is, zonder belerend te zijn) gaat het vooral om brieven van Hendrik de Vries. Kleine aanvullingen die weinig opzien baren, maar zulks is bij een dijk van een biografie dan ook niet meer nodig.

Martien J.G. de Jong: Een verre vrouw van taal. Over Gerrit Achterberg, zijn dichterschap, zijn leven en zijn interpreten. Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde Gent, 164 blz. ƒ40,40

Wim Hazeu: Gerrit Achterberg. Een biografie. De Arbeiderspers,

725 blz. ƒ49,90 (Herziene druk)

Ieder gedicht kon schadelijk zijn voor Achterbergs invrijheidsstelling

Nederlandse literatuur