Het `ik' stelde teleur

Toen Alan Clark in 1997 Conservatief kandidaat voor Kensington en Chelsea voor het Lagerhuis wilde worden bij een tussentijdse verkiezing, betwijfelden veel kenners of het hem zou lukken. Niet de man voor het stadsdeel met de meeste keurige inwoners van Londen, dachten zij: te vlot tegen meisjes, te brutaal tegen partijgenoten, te zelfverzekerd, te ongegeneerd. Al was hij Conservatief genoeg van achtergrond – met zijn middeleeuwse kasteel bij Folkestone – zijn toon leek ongeschikt voor de prettig theedrinkende mevrouwen die nadrukkelijk meepraten in dit kiesdistrict.

Toch kreeg hij de kandidatuur, en daarmee was hij meteen verzekerd van de Lagerhuiszetel, want Labour zou in Kensington nooit een voet aan de grond krijgen. Twee jaar heeft hij nog meegedaan in de politiek; in 1999 is hij overleden aan een hersentumor, een-en-zeventig jaar oud.

Sommige lezers zullen het karakter van de nu uitgekomen Diaries, over de jaren 1972 tot '82, kennen uit de latere dagboeken, over de volgende tien jaar, die in 1993 zijn verschenen. Anderen zullen wel eens de soort eerste reactie beleven die van de Conservatieven in Kensington en Chelsea verwacht werd: deze vrijpostige praatjesmaker overschat zijn eigen betekenis en hoeft niet te denken dat wij hem zo bijzonder vinden.

Pas na verloop van enige tientallen pagina's begint onmiskenbaar te worden dat er toch veel bijzonders aan hem is. Tegen het eind zullen doorzetters niet alleen door de informatie, maar ook door de persoonlijkheid gewonnen zijn; en dan moet zijn beste verhaal nog komen, zeven pagina's lang over een parlementaire groepsreis naar de Falkland eilanden kort nadat de Argentijnse indringers verdreven waren.

Ergernis

Wat eraan voorafgaat is natuurlijk meestal fragmentarisch: dagboekstukken. Clark vertelt van zijn humeuren en opinies; van zijn familieleven en zijn financiële zorgen die niet gering waren, want zo'n middeleeuws kasteel vereist veel onderhoud; en op den duur steeds meer over zijn politieke relaties en activiteiten nadat hij in 1974 in het Lagerhuis is gekomen voor een van de districten van Plymouth (dat hij vertegenwoordigde tot 1992). Hij vertelt lang niet uitputtend over zijn eigen werk en zijn gedachten, en veel van wat hij heeft geschreven is om de een of andere reden weggelaten door Ion Trewin, die het boek heeft samengesteld uit een massa van 500.000 woorden en er zowat een vijfde van heeft gebruikt.

Een belangrijk deel drukt ergernis, verveling en teleurstelling uit in algemeen herkenbare termen. Clark was vaak teleurgesteld in zijn eigen werkzaamheid. Eerst kwam het doordat hij zijn tijd versnipperde in niet bij elkaar passende werkzaamheden en klussen. Toen hij in het Lagerhuis zat was hij onvoldaan over de indruk die hij maakte en kon hij het moeilijk vinden met een aantal van zijn kiezers in Plymouth, die om te beginnen ontevreden waren dat hij niet vaker, zoals een Engelse MP hoort te doen, kwam vragen hoe het bij hen ging (want hij vond het een vervelende lange reis).

Thuis was hij ook niet steeds welgemoed. Hij ergerde zich vaak aan zijn vader, Lord Clark, beroemd als Kenneth Clark de kunsthistoricus die directeur van de National Gallery was geweest en klinkende tv-programma's had gemaakt over de kunsten en over de beschaving. Als oude heer werd de grote man die vlakbij woonde, lastiger en minder helder, en met zijn tweede vrouw Nolwen kon de zoon het helemaal niet vinden.

Wel spreekt hij altijd goedgezind over zijn eigen vrouw Jane, die hem onafgebroken toegewijd is gebleven, geloof ik, hoeveel hij ook rondzwierde buitenshuis (zonder dat daarover verteld wordt in dit deel van de Diaries). Moeilijker had hij het met zijn twee zoons, die bij het naderen van de twintig steeds ongezeglijker werden. Als de stemming op het kasteel opgewekt was, verzakte er altijd wel weer een muur of er begon een dak te lekken. Af en toe moesten er kunstwerken uit de familieverzameling verkocht worden; die brachten dan niet meteen genoeg op om de kribbige bankiers tevreden te stellen.

Als Lagerhuislid was Clark nog steeds niet tevreden over zijn rol in de samenleving; natuurlijk niet, want dan wordt het zaak om voor commissies gevraagd te worden, veel televisie-interviews te doen en tenslotte eindelijk een regeringspost te krijgen. De onzekerheden, verwachtingen en teleurstellingen van het politieke leven worden intiem navoelbaar in Clarks bekentenissen, en afwisselend gekleurd door betuigingen van vriendschap en minachting voor mede-parlementariërs.

De grote kunst was om het vertrouwen te winnen van de partijleider, vooral toen die eerst in de persoon van Edward Heath en vervolgens in die van Margaret Thatcher premier was geworden. Op 7 mei 1979: `Mrs Thatcher... has announced her Cabinet, and I'm not in it, anywhere.' Het zou nog een tijd duren voordat hij er bijhoorde (als minister voor handel in 1986). Op 14 april kwam hij mevrouw Thatcher tegen op de gang in het Lagerhuis en zette gauw zijn gezicht in een glimlach van respect: `To my great alarm she looked straight through me... What have I done wrong?'

Ambitie

Op 13 juni 1982, nadat hij zich herhaaldelijk had onderscheiden met zijn steun voor Thatchers Falklands-politiek, zette hij een ferme stap op weg naar zijn latere ministerschap. Toen Thatcher in het Huis een verklaring had afgelegd inzake de overgave die zij van de Argentijnen zou eisen en was geprezen door afgevaardigden aan beide zijden, stoof hij als enige achterom, waar hij haar kon opvangen op weg naar haar kamer, en verzekerde haar dat `your place in history is assured.' Whitelaw, de minister van Binnenlandse Zaken die het niet had op Clark, keek ontstemd toe; Thatcher zelf was er ook niet meteen blij mee, `she looked a little startled.' Het is een veelzeggend tafereel van ambitie in actie.

Zo zijn er ook waarnemingen van medeleden in het Huis. Toen Victor Montagu, die onder op de politieke ladder was blijven steken, een diner gaf voor een klein gezelschap parlementariërs, hoorde Clark in de vriendelijke speeches de onuitgesproken voldoening van een gevoel van `At-least-I-did-not-get-it-that-wrongery.'

Iemand die van de Engelse parlementaire gebruiken weinig weet zal een meer dan gemiddelde dosis aandacht en leergierigheid nodig hebben om Clarks dagboeken in detail te volgen. Onbereikbaar hoog zijn de eisen niet, en wie ze vervult wordt ruim beloond. Wat er in Clark omging hebben veel aanzienlijke personen in het openbare leven ondervonden, die het nooit zouden toegeven, en minder aanzienlijke personen hebben vaak in stilte vermoed dat zij het ondervonden. Naïeve lezers zullen hoofdschudden; minder naïeve zullen enigszins naar analogie van de gasten van Victor Montagu denken: ik had het dus niet zo verkeerd begrepen.

Alan Clark: Diaries: Into Politics. Weidenfeld & Nicolson,

389 blz. ƒ104,25

Politici

    • J.J. Peereboom