Heidegger

`Filosofen die elkaar in de haren vliegen, het is een mooi gezicht', begint het artikel van Sjoerd de Jong (Boeken 11.5.2001) over drie wijsgerige boeken (met een uitgesproken voorkeur voor de engelstalige studie over Heidegger van Herman Philipse). Een zeer lelijk gezicht bood hem echter kennelijk mijn eigen boek over en tegen Heidegger, als afschrikwekkend voorbeeld van `het gemakzuchtige Heidegger-knuppelen dat soms nog zo populair is in Nederland. Wie wil weten, hoe `gemakzuchtig' mijn boek is, waarin ik ze methodisch mogelijk en aan de hand van de `teksten' (van Heidegger zelf met name) heb willen aantonen, hoe verward en verwarrend diens `pseudosofie' onmiskenbaar is, mag dit in een eigen lectuur nagaan. Als commentaar vernam ik tot nu toe nog alleen, dat men het boek erg moeilijk vond. Maar behalve in de citaten wel `begrijpelijk'.

De talloze Duitsers `met boter op het hoofd of bloed aan de handen' zijn door mij vermeld op pagina 9 in verband met Heideggers vreemde formule over een `Gewissen-haben-wollen' (elders in mijn boek verder uitgewerkt). En wel na mijn korte bespreking van Die Schuldfrage (1946) van Karl Jaspers. Het hardste Heidegger-knuppelen voltrok zich na 1945 inderdaad van Duitse zijde. Van de mensen die hem het meest intiem kenden, stamt ook het oordeel dat zij hem een (pathologische?) leugenaar vonden. Waarvoor ik verwijs naar deel IV van mijn boek en het Hannah Arendt-citaat voorin.

Maar toegegeven: mijn neerknuppelen van een man, die volgens Philipse `als afval over het hek van de fIlosofie moet worden gegooid', was blijkbaar een overbodig of weinig hygiënisch werk. Of maakt ook dit deel uit van het wijsgerige `schimmengevecht' dat De Jong in de laatste alinea vermeldt?