Evenveel sekten als muggen

`De gereformeerde religie kreeg haar bevoorrechte positie rond 1580, toen het doperdom in de Nederlanden reeds lang wortel had geschoten', schrijft de Friese historicus S. Zijlstra in zijn monografie over de doopsgezinden. Het is een beetje schrale troost voor de ondergeschikte positie waarin zij steeds verkeerden, of ze nu vervolgd, gedoogd of geaccepteerd werden, zoals aan het einde van de beschreven periode. Rond 1530 sijpelden de eerste doperse ideeën de nog goeddeels katholieke Nederlanden binnen, en in 1675 had de overheid zonder ernstige bezwaren kennis genomen van de laatste afsplitsing die binnen het al sterk verdeelde doopsgezinde landschap plaatsvond. Zijlstra's boek verhaalt van een koppige minderheid die zich na 150 jaar aanvaard weet door het gereformeerde landsbestuur.

Behalve in eigen kring is die geschiedenis van die emancipatie niet goed bekend. De interesse van buitenstaanders voor de dopers gaat vooral uit naar de dramatische gebeurtenissen in 1534, toen in Munster een groep dopers de macht greep die de onmiddellijke wederkomst des Heren verkondigde. In afwachting hiervan richtten zij alvast de hemel op aarde in, en herverdeelden vrouwen en goederen. Aanhangers in Holland en Friesland die door eenzelfde heilsverwachting waren aangestoken, renden in die dagen naakt door de straten, en bezetten links en rechts een stadhuis of een klooster.

Vorig jaar verscheen over de Munsterse geschiedenis De beloofde stad van Luc Panhuysen. Onder dat apocalyptische oogpunt bezien verschijnen de wederdopers meer als een late middeleeuwse sociale beweging dan als voorbode van een nieuwe tijd. In History of Western Philosophy (1946) van Bertrand Russell worden de wederdopers herhaaldelijk vermeld vanwege de anarchistische praktijken waar de Engelse filosoof een zwak voor had. Hun faam hebben de dopers te danken aan wat zij zelf na de bloedige nederlaag in Munster in 1535 als een zijdelingse episode gingen beschouwen, hun naam aan de categorische afwijzing van de ook in reformatorische kringen gebruikelijke kinderdoop. Het geloof dat een doop alleen een teken van wedergeboorte was, dat een christen vergund werd ná gepast berouw voor zijn vroegere levenswandel, was in tegenspraak met de sacramentele betekenis die roomsen en calvinisten eraan toeschreven.

Ware gemeente

Ook over de toelaatbaarheid van de eed en de menswording van Christus koesterden de dopers afwijkende gedachten. Op die `oude gronden' die de dopers aan het vroege christendom meenden te ontlenen, moest `de ware gemeente' worden gesticht. Een gemeenschap van vromen die zich verre hield van `de wereld'. Zijlstra, die zich vooral als kerkhistoricus laat kennen, benadrukt dat in die religieuze geschillen de raison d'être van de doopsgezinden moet worden gezocht, en niet in een `protestantisme der armen' zoals door sociale historici wordt beweerd. De dopers vormden een doorsnee van de bevolking, met hoogstens een lichte boventoon van ambachtslieden.

Na de val van de Munsterse heilstaat werd de afbakening van de doperse gemeente vooral onderling uitgevochten. De eerste kwestie die opgelost diende te worden was het gebruik van geweld. Op een enkel groepje na zwoeren de meeste dopers het apocalyptische geweld van de Munsterse `zieners' af. Geweld in overheidsdienst stonden zij ook niet toe. De bevlogenheid die zich in de Munsterse episode gemanifesteerd had, was minder makkelijk uit te roeien. Er bleven onder de dopers nog lange tijd leraren preken die hun volgelingen veeleer met begeestering wierven, dan op leerstellige gronden.

De dopers, die in het algemeen niet verzot waren op theologie, spraken met eerbied van `vergodete profeten'. Dankzij het optreden van Menno Simons (1496-1561) legde deze spiritualistische richting het af tegen een redelijker en bestuurlijker doperdom. Deze Friese prediker is de grondlegger van het doperdom na Munster geworden. De menisten of mennonieten vormden om te beginnen in Friesland en Groningen, maar later ook ver daarbuiten, de typische gemeenten van zachtzinnigen en boetvaardigen waarmee de gelovigen het predikaat `de stillen in den lande' verdienden. Stil omdat zij zich toelegden op de heiliging van hun persoonlijk en gemeentelijk leven, en omdat zij in vrede wensten te leven met de overheid. Hun uitverkiezing beleefden zij nu in kleine kring. Dat viel hun heel wat gemakkelijker toen aan het einde van de zestiende eeuw de Reformatie in de Noordelijke Nederlanden een feit was geworden. Niet dat de gereformeerden, die de gunstelingen van de overheid waren, het hun naar de zin maakten. Die zagen in de oude gronden nog steeds de ketterij, en beschouwden de gemeenten als vendels voor een volgend Munster.

Zijlstra's boek wemelt van de uitdagingen die predikanten aan het dopers adres richtten. Maar het staatse gezag duldde geen vervolgingen om den gelove, zolang afwijkende opvattingen niet al te aanstotelijk waren, of al te openlijk werden beleden. Al in het begin van de Opstand hadden de doperse gemeenten Willem van Oranje een forse schenking gedaan, want zij wisten heel goed dat hun heil aan protestantse en niet aan katholieke zijde moest worden gezocht. Op verzoek gaven de dopers inzage in hun geloofsartikelen, en met goed geld kochten zij bij het gezag hun gebrek aan medewerking aan militaire en andere overheidsdiensten af. Want de wereld probeerden zij nog altijd te mijden.

Onder die omstandigheden gedijden de doopsgezinden. In Friesland, Groningen en Holland hadden zij een oude aanhang, die in de dagen van Munster wel twintig procent van de bevolking uitmaakte, elders bleven zij buitenbeentjes. In de zeventiende eeuw schat Zijlstra de dopers op 60.000 zielen, drie procent van de totale Nederlandse bevolking. De status quo liet ook toe dat de dopers hun energie in onderlinge conflicten staken.

Een groot deel van Zijlstra's boek beslaat de twisten tussen de zogenaamde `Waterlanders', `Vlamingen', `Friezen', en `Hoogduitsers', allemaal richtingen in het doperdom, om maar te zwijgen van de `Jonge' en `Oude Vlamingen' en de `Zachte' en `Harde Friezen'. De herkomst gaf nogal eens de doorslag in het volgen of afwijzen van gewoonten en gebruiken die op een buitenstaander een futiele indruk maken, ook in de ogen van de niet-doperse tijdgenoten. Met één uitzondering. In de zeventiende eeuw werden de meer spiritualistische richtingen onder al die doperse afsplitsingen geassocieerd met de echte vrijdenkerij die toen zoetjesaan de kop opstak. De persoonlijke beleving die sommige dopers voorstonden, werd wel met vrijheid van geweten verward. De Rijnsburger collegianten bijvoorbeeld, waar Spinoza gastvrijheid genoot, stonden wegens hun ruime opvattingen slecht aangeschreven bij de Hollandse autoriteiten. Orthodoxie, van welke snit ook, vonden de autoriteiten minder gevaarlijk dan vrijzinnigheid.

Vermaning

`Dit land is even vol met sekten als de zomer vol is met muggen', schreef een gereformeerde auteur in de zeventiende eeuw. Zijlstra's lezer zal zich ook niet steeds evenveel interesseren voor de determinatieproblemen bij het ziften van de doperse groepjes. In weerwil van zijn vermaning, zullen de lezers ook weer geboeid raken door de politieke en sociale kant van de dopers. Niet alleen door het sensationele verhaal van de Munsterse wederdopers, hoewel ook dat goed gedaan wordt, maar door de zachte kracht van de mennonieten.

Zowel de radicalen als de stillen in den lande dachten en handelden vanuit de gemeente. En dat temidden van katholieke en calvinistische levensbeschouwingen, die – de een meer dan de ander – hiërarchisch en centralistisch waren. Hoewel `confessievorming', religieuze standaardisering dus, onvermijdelijk was, heeft de doperse gemeente altijd iets bewaard van de jeugdige idealen van de humanisten en reformatoren: persoonlijke getuigenis en ingetogen leven naar het voorbeeld van de vroege christenen. Daar handelen bij Zijlstra een paar mooie hoofdstukken over. Zijlstra's consciëntieuze verslag van een kleine geschiedenis tegen de hoofdstroom in, vraagt om een vervolg.

S. Zijlstra: Om de ware gemeente en de oude gronden. Geschiedenis van de dopersen in de Nederlanden 1531-1675.

Verloren, 544 blz. ƒ69,20

Nederlandse geschiedenis