Een Brits topaapje in Afrika

Op haar elfde richt een Engels meisje voor vriendinnen de Alligator Society op. `You have to be able to recognize 10 birds, 10 dogs, 10 trees and five butterflies or moths', stelt het reglement streng. Dat meisje is Jane Goodall (in 1934 in Londen geboren), die het zou schoppen tot bekendste wetenschapster ter wereld. Vrijwel op eigen kracht, maar ook geholpen door Flo, Flint en Fifi, David Greybeard en de antiheld McGregor – hoofdrolspelers in de chimpanseegroep van Gombe, Tanzania, die Goodall veertig jaar lang bestudeerde, en andersom. Jaar in, jaar uit volgde Goodall die naaste maar onbekende verwanten van de mens, om er geserreerd en helder verslag van te doen. Haar eerste grote publieksboek In the Shadow of Man uit 1971 werd een bestseller. Ze heeft de chimpansee in woorden overgebracht als de familie die deze mensaap al altijd van ons was, met ontroerende en beangstigende trekjes waarin we ons herkennen.

Als blond meisje temidden van vervaarlijk sterke mensapen scoorde ze ook op de publicitaire schaal. Niet gezochte persoonsverheerlijking, maar ook ironische kenschetsen als `moeder Teresa van de apen' of `Tarzans betere helft' ontnemen nog steeds bijna het zicht op haar wetenschappelijke prestaties en haar voortrekkersrol als natuurbeschermster. Als oudere, beroemde wetenschapster maakt Jane Goodall tegenwoordig onvermoeibaar een internationale tournee langs spreekgestoelten om bescherming te bepleiten van chimpansees en Afrika's resterende natuur. Het ooit uitgestrekte bosgebied van Gombe, haar natuurparadijs dat wereldwijd tot de verbeelding sprak, is veranderd in een parkje temidden van kaalslag en erosie.

Als eerbetoon aan Goodall zijn de vele brieven die zij in het eerste deel van haar leven schreef gebundeld: Africa in my blood – an autobiography in letters. Die dikke uitgave, met ook aardig fotomateriaal, behandelt dan nog alleen maar `the early years'. Die lopen van 1942, met een zevenjarige, hoogst Engelse Valerie Jane Morris-Goodall, tot 1966, met een vanuit Afrika om sponsoring knokkende primatologe die nog veel meer in chimpansees ziet dan ze in de eerste jaren van onderzoek al kon vastleggen.

Bakvistoon

Al lang voordat zij naar Afrika vertrok was Goodall een verwoed brievenschrijfster. In één opzicht is dit boek al aardig: als monument voor de ouderwetse, zorgvuldig uitgeschreven mededelingen op papier. Brieven schrijven is een stervende kunst. De berichten van Goodall aan familieleden en vriendinnen, onderzoekssponsors en tijdschriftredacteuren zijn bezorgd door de Amerikaan Dale Peterson, zelf gespecialiseerd in het schrijven over primaten. Hij geeft tussen de hoofdstukken die elk een fase in Goodalls leven omvatten als een `voice over' biografietjes die ter zake zijn.

De jonge Jane ontwikkelde een ouderwetse bakvistoon. Leuk, maar niet uitzonderlijk, en met erg veel uitroeptekens. We leren haar kennen als een sympathiek en welopgevoed meisje, maar met een doortastend, bazig gedrag. Een topaapje. En natuurlijk vroegtijdig gefascineerd door dieren, zoals voor alle latere dieronderzoekers van naam geldt. Zij is een van de weinige meisje die ooit enthousiast aan vriendinnen zullen hebben geschreven dat ze bijvoorbeeld vooral snel naar `Dick' moeten komen kijken. Die heeft zich verpopt, na zijn rupsenbestaan.

Toch zijn de vroegste brieven vooral aardig als kenschets van Brits familieleven. Jane heeft een hechte band met haar moeder Vanne, die haar later bij haar onderzoek zou helpen. Haar vader bestaat voor beiden nauwelijks. Die doet iets raars en oninteressants in de racerij, door Jane samengevat als `rondjes rijden in auto's'. Opvallend, want voor veel kenners is de naam Mort Morris-Goodall, lid van het roemruchte Britse Aston Martin team, nog steeds een klinkende naam. Jane's fascinatie ligt ergens anders.

Op 23-jarige leeftijd vertrekt ze na moeizaam sparen en met wat losse afspraken naar Afrika, het continent met het dierenleven waar ze altijd naar verlangde. Het is alsof ze thuiskomt. Eén ding blijft hetzelfde. De romantische inslag van Jane, met haar fijnzinnige gezicht en spraak, wordt meervoudig beantwoord. `What the devil am I to do with all these middle aged married men. They hang in multitudinous garlands from every limb and neck I've got.' Een vriend stelt haar vanwege haar fascinatie door dieren voor aan Louis Leaky, de legendarische – en publiciteitsbeluste – antropoloog. Die ziet veel in haar. Ze moet alles in het werk stellen om hem van het lijf te houden. Maar hij ziet nog meer in haar: de ideale, opmerkzame en vasthoudende kandidaat om aan een revolutionair chimpansee-onderzoek te beginnen – en dat ook overigens vrijwel alleen. Hij stuurt haar naar Gombe, aan het Tanganyika meer.

Wat zich daar afspeelt heeft Goodall in haar andere boeken al beschreven, maar de eerste jaren worden hier nog eens losser of emotioneler weergegeven. De frustrerende strijd, in regen en woud, om de mensapen te zien te krijgen en dan ook nog eens vertrouwd met haar te laten worden, komt onverbloemd over. Ook de gedragsbeschrijvingen zijn vrijer.

Sponsors

De brieven aan familieleden worden dan inmiddels flink afgewisseld door die aan sponsors en tijdschriftredacteuren. Het illustreert hoe enorm lastig het kan zijn onderzoeksgelden te verwerven, zeker als je verstoken van alles behalve een onbetrouwbare postverbinding in de `bush' zit. En het is aardig te weten hoe moeizaam de roemruchte National Geographic-documentaires – met foto's die zijn uitgegroeid tot emblemen van mens en natuur, vrouw en wetenschap – tot stand kwamen.

Voor de liefhebber is dit een heerlijk boek. Zo is het leerzaam om te lezen hoe de chimpansees omgaan met de schuilhut die voor fotografie is neergezet. Ze laten zich niet beetnemen, zoals andere dieren. Eén man komt eens even langs, tilt het luikje op om naar binnen te kijken, verbaast zich over de twee mensen die in de broeierige ruimte opeengepakt zitten. Om dan weer verder te eten.

Ook als documentatie over een wetenschappelijk topverhaal is deze brievenbundel welkom. Een bonus is daarbij het doorlichten van een ander onderzoeksverhaal: het veldwerk in Kenia door Louis Leaky, die zijn vrouw Mary zo doorlopend ontrouw is dat zij kiest voor de alcoholische waas. Boeiend is ook de indirecte beschrijving van een inmiddels sterk veranderde Britse maatschappij en van zeldzaam geworden meisjesromantiek – de jonge Jane is behoorlijk dweepziek.

Alleen de omvang had iets minder gekund. De dwang naar volledigheid bij de annotatie heeft soms een potsierlijk effect. Die overdadigheid zit ook in de uitbundige selectie; niet alle afgedrukte brieven en kattebelletjes zijn werkelijk nodig om een goed beeld te krijgen van de jonge Jane.

Hier wordt iemand vereerd, zoveel is duidelijk. Iedere typ- of spelfout is zorgvuldig overgenomen, desnoods bij twijfel van een annotatie voorzien. Wanneer het in dit dikke boek buitengewoon interessant wordt met de chimpansees, zit het er alweer bijna op. Gelukkig komt er nog een tweede boek met brieven van Goodall. Minstens zo dik.

Jane Goodall: Africa in my blood. An autobiography in letters - the early years. Bezorgd door Dale Peterson. Houghton Mifflin, 386 blz. ƒ79,50