De wereld is mijn vaderland

Wie over `ons' en `wij' spreekt maakt zich schuldig aan een gevaarlijk nationalisme. Elfde aflevering van een zoektocht naar de kern van de Nederlandse cultuur.

Op 3 mei 1912 schreef Adriaan (Jany) Roland Holst zijn oom Rik Roland Holst vanuit Lausanne een brief naar aanleiding van de recente publicatie van Gorters Pan. Of hij de bundel zo snel mogelijk wilde opsturen want, zo liet hij weten, ,,ik ben ontzettend verlangend die te lezen en voel haast een plan om, nu dát in Holland is gebeurd, maar weer gauw terug te komen, en het in de Hollandse lucht voor `t eerst te lezen.''

Altijd heb ik vreselijke moeten lachen om dat aanstellerige, bijna geëxalteerde verlangen om Gorter onder een Hollandsche Hemel te lezen, alsof zijn poëzie daar zuiverder zou klinken dan in Lausanne. Ik vermoedde dat de bronstige Jany wel weer een Nederlandse `tuk met' (zoals hij erotische afspraakjes noemde) in zijn agenda had staan en vooral daarom geneigd was terug te keren naar Holland. Tot ik mij een paar zomers geleden in het holst van Nederland of liever van Friesland waagde en ineens begreep wat een meerwaarde het kan opleveren om poëzie, althans die van Gorter, te lezen op de plek waar zij haar oorsprong vindt.

Het gebeurde na een lange, warme dag wandelen toen we bij aankomst in Balk onze intrek namen in een hotel aan het grachtje waar Gorters grootouders hadden gewoond en waar hij als kind vaak logeerde. Van mijn literatuur-colleges en de Herman Gorter Documentatie van Enno Endt wist ik nog dat grote stukken uit Mei geïnspireerd zijn op het Friese landschap en op het grachtje van Balk, waar niet voor niets een beeldje van Gorter staat te pronken. Op deze zoele zomeravond en nog rozig van de zon dronken we in de schemering een glaasje op het terras. Daar, zittend aan het water, begonnen we onvermijdelijk zachtjes het begin van Mei te reciteren:

Een nieuwe lente en een nieuw geluid

Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,

Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht

In een oud stadje, langs de watergracht -

In huis was `t donker, maar de stille straat

Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat

Nog licht....

Hier stokten we, niet bij gebrek aan verdere tekst, maar omdat we bij het uitspreken van de woorden: `blonk laat nog licht' ineens voor ons zagen wat de dichter daarmee had bedoeld. Want inderdaad: `Er viel een gouden blanke schijn over de gevels' zoals we nooit eerder aan enig andere gracht hadden gezien of ooit nog zouden zien. Een curieuze en ook wel ontroerende ervaring. Toch zou ik daar niet graag de consequentie aan verbinden dat alle kunst altijd beter te genieten valt in het land of de plaats waar zij ontstaan is, laat staan dat je Nederlander of zelfs inwoner van Balk zou moeten zijn om de speciale lichtval die Gorter beschrijft te herkennen. Wat dat betreft sta ik dichter bij Hafid Bouazza dan bij Jany Roland Holst. Bouazza schreef in zijn bijdrage aan deze serie dat het zoeken naar nationale kenmerken in kunstwerken strijdig is met de aard van kunst en ook kan hij zich niet voorstellen `dat iemand kunst beschouwt, leest, of beluistert op zoek naar sporen van 's kunstenaars afkomst in het kunstwerk'.

Dat laatste ben ik niet met hem eens. Wat mij betreft mag een kunstwerk onderzocht worden op alles wat los en vast zit en mijn ervaring is dat kunstuitingen interessanter worden naarmate je er meer van weet. Het is alleen een misverstand dat ook nog al eens in deze serie opduikt dat een Nederlander per definitie meer van Nederlandse kunst zou weten dan een buitenlander of een allochtoon. Dat riekt naar bekrompen en kneuterig nationalisme, waar ik Gorter en ook zijn Mei nooit mee zou willen associëren.

Wat is er eigenlijk tegen nationalisme? In mijn ogen alles, al was het maar omdat – zoals Marcel van Dam het onlangs zo treffend in zijn Volkskrant-column formuleerde – nationalisme en fascisme uit één koker komen. Evenals Van Dam is mij dat al heel lang bekend, maar ook daarvóór heb ik nooit last gehad van nationalistische gevoelens. Niet uit ideologische overwegingen of politieke correctheid avant la lettre maar eenvoudigweg omdat ik Nederland niet belangrijker of beter of mooier vind dan andere landen die ik ken en waardeer. Had ik mogen kiezen dan was ik liever opgegroeid in Italië, Frankrijk, Spanje of Engeland dan in Nederland, waar het tenslotte alleen maar is uit te houden omdat Amsterdam er ligt. Internationalisme, `de wereld is mijn vaderland', was voor mij indertijd de enige, en ik geef toe romantische reden om communist te worden.

De wereld is mijn vaderland, zo denk ik er nog altijd over en als ik zie hoe andere mensen, ook in deze serie, het als vanzelfsprekend hebben over `onze' nationale cultuur en `onze' nationale smaak vraag ik me voortdurend af wie zij bedoelen met `ons' en `wij'. Volgens de definitie van H.W. Von der Dunk in zijn recente studie De verdwijnende hemel, Over de cultuur van Europa in de twintigste eeuw is nationalisme ,,de overtuiging dat iedereen van nature onlosmakelijk met zijn volk is verbonden en dat hij de macht en bloei van zijn land en volk daarom boven alle bindingen, en zeker boven andere landen hoort te stellen, zodat zijn politieke en culturele activiteiten in dienst van de grootheid van zijn land staan.'' Kennelijk voelen de `wij-zeggers' dat precies zo, maar ik ervaar die `natuurlijke verbondenheid' volstrekt niet en heb haar ook nooit ervaren. Waarschijnlijk behoor ik tot de onverbeterlijke kosmopolieten, een soort dat door zowel Hitler als Stalin werd gehaat wegens het vermeende gevaar dat zij meerdere bindingen hebben en dus niet loyaal, dat wil zeggen onbetrouwbaar zijn.

Van de `wij-zeggers' zou ik wel eens willen weten: moet je in Nederland geboren zijn, moet de wieg van je ouders en grootouders hier hebben gestaan, moet je een Nederlandse naam hebben om bij jullie te mogen horen? Mijn familie is namelijk niet zo erg Nederlands – we komen overal vandaan – en behalve de taal heb ik met de meeste Nederlanders dan ook niet zoveel meer gemeen dan met mensen die over andere nationaliteiten beschikken. Het meest verwant voel ik me in het algemeen met mensen van mijn (naoorlogse) generatie die zijn gevormd door de grensoverschrijdende cultuuruitingen (popmuziek, film, literatuur) van de jaren zestig en zeventig, of de liefhebbers daarvan nu uit Warschau, Washington, Wenen of Wormerveer komen. En verder ben ik het van harte met Marcel Möring eens dat wie voortdurend bezig is de nationale culturele identiteit te benadrukken, zich wil definiëren ten opzichte van anderen. Niet alleen leidt dat in de meeste gevallen tot grote ellende, ik zie ook los daarvan het nut niet in van dit de kop opstekende cultuurnationalisme

Marjoleine de Vos heeft daar wel begrip voor. ,,Toen Paul Scheffer schreef dat het, juist nu er zoveel mensen uit andere culturen bij ons zijn komen wonen, van belang is om trots te zijn op onze eigen cultuur, om die hoog te houden, om te weten wie we zelf zijn, want met wie of wat moet er anders geïntegreerd worden, toen waren er natuurlijk ook weer voldoende mensen die zeiden: welke Nederlandse cultuur?'' Alsof dat zo'n domme vraag is: welke Nederlandse cultuur?

Waar Paul Scheffer en andere cultuurnationalisten vanuit gaan, is dat er in Nederland sprake zou zijn van een `dominante cultuur', maar het is helemaal niet vanzelfsprekend dat er inderdaad zo'n `Leitkultur' bestaat. Godsdienstwetenschapper Peter van der Veer, die veel over cultureel en religieus nationalisme heeft gepubliceerd meent stellig van niet. In De Gids van september vorig jaar schreef hij dat mensen als Scheffer (maar ook bijvoorbeeld Bolkestein) niet alleen vinden dat er een Nederlandse cultuur is, maar ook dat er nodig wat gedaan moet worden om die in hun ogen bedreigde cultuur te beschermen. ,,Dit soort conservatieve ideologen'', meent hij, ,,zijn over het algemeen beter in het beschrijven van wat de Nederlandse eigenheid bedreigt dan wat de Nederlandse eigenheid is.'' Dat laatste is beslist een feit. Noch Paul Scheffer, noch enig ander is er in het zich voortslepende debat over `de' Nederlandse cultuur in geslaagd deze ook maar in de verste verte te benoemen.

Het cultuurnationalisme is tegen de achtergrond van Europese eenwording, mondialisering en internet hoe dan ook niet meer van deze tijd. Von der Dunk laat mooi zien hoe het ontstaan is, toen in de negentiende eeuw de nationale staat de taken van kerk en hof overnam. Concertzalen, opera's en schouwburgen gingen van keizerlijk of koninklijk bezit over in rijksbezit als centra van stichting en genot voor de burgerij. Onder invloed van de Romantiek was het aanzien van kunsten enorm gestegen, terwijl ze als gevolg van de secularisatie ook nog eens een aanzienlijk grotere betekenis kregen. Evenals het nationalisme nam kunst gedeeltelijk de rol van de religie over. ,,Kunst en nationalisme gingen dan ook dikwijls een verbond aan'', schrijft Von der Dunk. ,,Dat wil zeggen: de kunst stond tevens in dienst of behoorde in dienst te staan van het nationale bewustzijn. Zij was immers de zuiverste en meest verheven manifestatie van de nationale geest volgens het romantisch-nationalistische credo. Zij speelde een hoofdrol in het grote beschavingsoffensief en ondersteunde de opwaartse blikrichting naar de hemel.''

Het aardige van `In het holst van Nederland' is dat in deze serie nu eens geen angstige geluiden opklinken over het vermeende verdwijnen van een vermeende Nederlandse cultuur met alle verschrikkelijke gevolgen en maatschappelijke desintegratie van dien. Er wordt slechts gezocht naar wat typisch Nederlandse kunst is, maar echt geslaagd zijn we daarin tot nu toe niet. Iedereen spreekt elkaar tegen en wat de één als kern van de Nederlandse cultuur aanwijst, wordt door de volgende tegengesproken of onderuitgehaald.

Omdat Nederlandse kunst in de kern `documentair' zou zijn en Vondels Lucifer `au fond oorlogsverslaggeving is' beschouwt Joyce Roodnat bijvoorbeeld het werk van Vondel als typisch Nederlands en dat van P.C.Hooft niet. Maar Hoofts Neederlandsche Historiën dan of zijn Geeraerdt van Velsen? Is dat geen documentaire-kunst, geen oorlogsverslaggeving? Bovendien: waarom is het zo typisch Nederlands om documentaire-kunst te maken? Konden en kunnen buitenlandse kunstenaars dat niet? Overigens maakt Roodnat ook duidelijk wie wel en niet bij de `wij-zeggers' mogen horen. Niet mijn tropische vader en grootouders in elk geval, want: wie buiten Nederland is opgegroeid kan volgens haar het donkere licht van De Nachtwacht niet op waarde schatten. ,,Hij weet niet wat zulk licht inhoudt – warm om te zien, koud om op je te voelen. Alleen iemand die opgroeide in het Nederlandse weer voelt zo'n finesse.''

Gelukkig denkt Ramsey Nasr, ondanks zijn Palestijnse naam geboren en getogen in het land van Rembrandt, daar weer heel anders over. In zijn ogen is de schilder van de Nachtwacht juist helemaal niet typisch Nederlands: ,,Zijn lichtgebruik is Italiaans; zijn thema's zijn Italiaans; hij brengt de verf aan met zijn paletmes om reliëf te verkrijgen; [...] Rembrandt was een Italiaan.''

Het makkelijkst maakt Wilfred Takken zich zich van de definitiekwestie af. Dat er wel degelijk een nationale cultuur is, staat voor hem vast. ,,Wie vindt dat een typisch Nederlandse cultuur niet bestaat, moet er ook niet over schrijven'', voegde hij twee weken geleden Marcel Möring toe. Zou hij werkelijk het schrijven over Nederlandse cultuur willen overlaten aan mensen die zonder meer geloven in en hechten aan specifiek nationaal-culturele kenmerken? Waar deze discussie in mijn ogen over had moeten gaan is niet zozeer de vraag wat `de kern van de Nederlandse cultuur' is – nogmaals: die zullen we niet vinden – maar of er in Nederland zoiets als een dominante cultuur bestaat waar immigranten zich aan zouden moeten aanpassen. Zo ja, wat zijn dan de kenmerken van die dominante cultuur? Als de aanhangers van een Leitkultur bij voortduring onmachtig blijken haar te definiëren zou het vervolgens meegenomen zijn als juist zij maar van het schrijven erover afzien..

Ook in Duitsland woedt het debat over het al dan niet bestaan van een dominante nationale cultuur. Daar is het vooral de conservatieve CDU die zweert bij een Leitkultur, een normatieve cultuur die moet dienen als bindmiddel tussen alle burgers. Bij nader inzien blijkt die Leitkultur echter niet zozeer op de kunsten te slaan (daar is men ook in Duitsland niet uitgekomen) maar op de rechtsorde en in het bijzonder de grondwet. Afgezien van de Nederlandse taal lijkt me de Nederlandse rechtsorde ook het enige waaraan alle Nederlanders, autochtonen en allochtonen, inclusief homohatende kardinalen en imams zich moeten aanpassen. Maar laat voor het overige toch iedereen op zijn eigen manier zalig worden en zich laven aan de kunstuitingen die het meest bij hem passen.

H.J.A.Hofland zei in zijn bijdrage aan deze serie: ,,Diep in mijn hart ben ik een nationalist'', onder andere omdat hij zich `trots' voelde toen in New York de Engelse vertaling van Harry Mulisch' De ontdekking van de hemel officieel werd gepresenteerd en de schrijver in het Engels een mooie toespraak hield. Al ben ik een overtuigd internationalist, onlangs voelde ik een vergelijkbare trots toen ik voor de radio de briljante jonge schrijver Fouad Laroui interviewde over zijn boekenweek-essay Vreemdeling: aangenaam. In mooi Nederlands legde hij uit dat hij in Frankrijk had gestudeerd en in Engeland gewerkt. Met zijn grote talenkennis kon hij overal aan de slag, maar hij had uitdrukkelijk gekozen voor Nederland waar hij nu als wetenschappelijk medewerker aan de VU verbonden is. Toen ik hem vroeg naar het waarom van zijn voorkeur voor Nederland, antwoordde hij: ,,Nederlanders zijn helemaal niet trots op hun cultuur. Daarom is het voor een vreemdeling aangenaam hier te wonen. Het word je niet opgedrongen''. Trots was ik, omdat ik me realiseerde dat het `niet trots zijn' op zoiets ongrijpbaars als `nationale cultuur' misschien wel de kern is van de Nederlandse cultuur.

Volgende week begeeft Bernard Hulsman zich in het Holst van Nederland