De energiecrisis

ENERGIE IS een kwestie van levensstijl, binnenlandse politiek en nationale veiligheid in de Verenigde Staten. Geconfronteerd met stijgende benzineprijzen en acute elektriciteitstekorten in de staat Californië, zijn de Amerikanen gevoelig voor apocalyptische voorspellingen dat er een energiecrisis dreigt die groter is dan die van de jaren zeventig. Dit argument heeft president Bush gisteren ingezet om zijn nationale energieplan aan te bevelen. Als er niets gebeurt, aldus de president, gaat Amerika `een duistere toekomst' tegemoet, met geregelde uitval van elektriciteit en toenemende afhankelijkheid van buitenlandse oliebronnen.

Bush haalt zo ongeveer alles overhoop op energiegebied wat de afgelopen kwart eeuw onaantastbaar is verklaard. De president stelt voor om federale natuurgebieden, zoals in Alaska, open te stellen voor olie- en gasboringen. Hij wil de handelssancties tegen olielanden zoals Irak en Libië herzien. Kernenergie en kolenwinning moeten weer ter hand genomen worden, strenge milieuregels op het gebied van energietransport moeten worden versoepeld. De Verenigde Staten moeten de productie van energie drastisch verhogen, de distributie verbeteren en hier en daar ook iets doen aan besparing.

De voorstellen van Bush zijn verwelkomd door de energie-industrie, die zich jarenlang bekneld voelde door regelgeving op het gebied van milieu, prijsbevriezingen en soms verregaande overheidsregulering van hun activiteiten. Geen wonder, ketsten critici onmiddellijk terug, Bush en zijn vice-president Cheney zijn beiden afkomstig uit de olie- en gasindustrie. De belangen van big business dicteren het beleid van deze Republikeinse regering. Voor de consumenten, die dure benzine tanken en deze zomer hoge elektriciteitsrekeningen voor de airconditioning moeten betalen, heeft Bush geen enkele aandacht, zeggen Democratische Congresleden.

Hiermee tekent zich het begin af van een bittere strijd tussen Republikeinen en Democraten over het toekomstige Amerikaanse energiebeleid. Voor een deel is dit de strijd om de steun van de kiezers, die door de Republieken gepaaid worden met de beloftes van hogere productie en door de Democraten met beperking van de prijsstijgingen. Maar bovenal gaat het om ideologische verschillen tussen enerzijds alle remmen los voor de industrie en anderzijds overheidsbemoeienis en milieubescherming.

EEN AANTAL overwegingen blijft ten onrechte onderbelicht. In de eerste plaats is het niet zo vreemd dat na een periode van tien jaar economische groei de energieprijzen een flinke stijging vertonen. Ook de interneteconomie gebruikt (veel) stroom. Amerikanen beschouwen lage energieprijzen al te vaak als een vanzelfsprekendheid – en het wordt tijd om die opvatting te herzien. In de tweede plaats kan er veel meer gedaan worden aan energiebesparingen. Juist door de relatief lage prijzen ontbreekt hiervoor de prikkel. Ten derde is het niet zo dramatisch dat de VS voor hun olievoorziening afhankelijk zijn van importen. Ieder eerstejaarscollege economie leert dat economieën datgene moeten doen waarin ze een comparatief voordeel hebben. Als de VS computers exporteren en olie importeren, is er niets aan de hand – mits uiteraard gezorgd wordt voor voldoende diversiteit van leveranciers en de transportroutes verzekerd zijn.

DE PLANNEN van Bush halen veel overhoop. Productie en distributie van energie krijgen een grotere politieke aandacht dan ze jarenlang gehad hebben. Een nieuwe aanpak kan op veel terreinen verbeteringen brengen. Maar het gevaar van overdrijving is groot. Er dreigt geen energiecrisis in de Verenigde Staten en paniekverhalen dragen niet bij aan nuchtere afwegingen. Hoe onmisbaar de rol van de industrie ook is, deze moet niet het energiebeleid gaan dicteren. Daarvoor zijn er te veel andere belangen in het geding die ook behartigd dienen te worden.