Alles is een begin

Het gedicht heet `De ezel', en het gaat ook over een ezel. Het is een ezel die ergens loopt te grazen, op een verschroeide oever. Zomerse dag, stil en warm. De zon schijnt over de tomaten, artisjokken en aubergines. De ezel overziet het allemaal: de dag, het licht, de trillende warmte – en besluit aan het geheel iets toe te voegen, zíjn aandeel in de schoonheid van de wereld, zoals de dichter zegt. Hij begint te balken. En dat is dan ook meteen het einde van `O jumento', `De ezel', een gedicht van de Braziliaanse dichter Lêdo Ivo.

Elf regels, simpele praattoon, geen rijm. Hoe zoiets te lezen? Als het eenvoudige natuurtafereel dat het is, toevallig waargenomen door een dichtende passant? Of als een grap: het onwelluidende ezelgebalk dat juist het zorgvuldig opgebouwde sfeerbeeld van schoonheid, stilte en zinderende hitte bederft? Heeft Ivo hiermee een bewering over schoonheid willen doen, en over de betrekkelijkheid van dat begrip? Of is het allemaal wat onthechter, met minder vooropgezette bedoelingen? Het is altijd moeilijk te zeggen bij een onbekende dichter, in een vreemde taal. Humor en onthechting zijn nu eenmaal cultureel bepaald. Een ezel kan vijfhonderd kilometer verderop al weer heel andere bijbetekenissen hebben.

Chagrijn

Op het ezelgedicht volgt een gedicht over een brug, `A ponte', dat ook wel iets prettig vanzelfsprekends heeft, maar evengoed voor diepe wijsheid kan worden versleten – en trouwens ook voor droge humor. De brug is aangelegd door iemand die wilde dat wij de rivier vol stenen zouden kunnen oversteken, zo zegt Ivo. Wij geloven hem meteen. Hij wilde dat wat het water scheidt verenigen. Natuurlijk. En dus gaan wij ook maar over de brug, ook al weten we: De overkant is net als deze. Vergelijk voor eenzelfde hilarisch-wijsgerig effect het veerpontlied van Drs. P.

Ook van dit gedicht `De brug' weet ik niet goed hoe ik het zou moeten lezen. Inderdaad als een kort tussendoortje van een Braziliaanse Drs. P? Maar wat dan weer aan te vangen met het lange klagerige gedicht dat aan `De ezel' en `De brug' voorafgaat? Daarin klinkt eerder een sarcastische Hans Teeuwen mee, als het al niet gewoon een rechtse klootzak is. Het heet `Arme mensen op het busstation'. Ze stinken, volgens de spreker, en ze hebben geen manieren. Ze weten zich niet te kleden en ze weten zich niet te gedragen. Ze weten de weg niet in de salon des levens. Spreekt hier de dichter zelf, of spreekt hij hier namens een stuk chagrijn uit de hogere kringen dat zijn dag niet heeft? En is die kankeraar aan het slot nog steeds aan het woord als hij misprijzend opmerkt dat die arme mensen niet eens weten hoe te wonen, en zelfs niet hoe te sterven, met hun `bijna altijd [...] vieze en onelegante dood'? En zou hij weten hoe hij zichzelf en zijn soort in de slotregels onderuithaalt als hij zich in het hilarische hoogtepunt nog eens beklaagt over deze `lastige reizigers die onze plaats innemen / zelfs wanneer wij zitten en zij moeten staan'?

Natuurdichter

Drie gedichten, drie gezichten. Toch zijn ze alle drie van dezelfde dichter en komen ze ook nog eens uit dezelfde bundel: A noite misteriosa (De geheimzinnige nacht), uit 1982. Alle drie zijn ze te vinden in de door August Willemsen vertaalde bloemlezing uit de latere poëzie van Ivo: Vleermuizen en blauwe krabben. Behalve een maatschappelijk bewust dichter over armoede op busstations en een onthechte dromer over ezels en bruggen, is Ivo ook nog een hele of halve natuurdichter. Er komen in zijn gedichten heel wat vleermuizen en blauwe krabben voor, en ook krabspinnen, slakken, uilen, hagedissen, gieren en vossen. Ze zijn te vinden in dat deel van Brazilië waar Ivo geboren is, in 1924, en waar hij nog steeds woont: aan de kust, in het noordoosten, in de staat Alagoas. Ook de mangroven, de kinabast, de kasjoebomen en de kassieplant zorgen voor lokale kleur. Daarnaast zijn er ook de nodige grootstedelijke aanleidingen en onderwerpen, van wasmachine tot metro en van ziekenhuis tot graafmachine, gezien in zijn eigen woonplaats Maceió, maar ook in Toronto, Rome, Parijs, Londen en Berlijn. Zelfs is er een korte serie Nederlandse verzen, gevolg van zijn optreden op Poetry International in 1985.

Ook in geografisch opzicht is Ivo dus nog niet zo gemakkelijk te karakteriseren. Hij heeft oog voor een traditioneel natuurgegeven als de ontmoeting tussen golf en strand, als `de zee de gekloofde lippen van het zand bevochtigt'. Hij ziet, terloops, een gasfles die is blijven liggen op een binnenplaats, maar hij weet ook, als een echte romanticus, dat `in de halo van een borst, jong als de nacht' een mens zich kan verbergen, en dat men `in het vuurtorenlicht de vergulde munten van zijn liefde bewaart'.

Liefdesdichter

De vergulde munten van zijn liefde: naast al het voorgaande is Ivo ook nog eens een uitgesproken liefdesdichter. Hij heeft het er graag over, en zonder al te veel scrupules, over de liefde en de erotiek, over het landschap `van de venusheuvel, waar de roos van vlees zacht trilt in de zwoelte', terwijl `de geheime schacht zich toedekt met dauw'. Meestal voegt zich bij deze sensuele inslag vanzelf een sterk contrast, in de vorm van een cynisch inzicht, een medische term of een beeld uit de wereld van de economie, waardoor er een mooi scherp mengsel ontstaat. Het is de misschien wel surrealistisch te noemen geest die spreekt van `het schone witte braaksel van de zee' als het om het schuim van de golven gaat. Het is de blik van de dichter die op een zonovergoten ochtend uit zijn raam kijkt en op de bouwplaats een graafmachine bezig ziet en moet denken aan nieuwbouw, maar ook meteen aan het delven van graven.

Als hij verderop een auto ziet stoppen bij het motel voegt zich daar seks bij: `Weer een keer gaan penis en vagina straks proberen elkaar te verstaan / op deze wereld van zo vele misverstanden'. En als hij daarna de blik weer richt op het bouwterrein heeft de graafmachine vanzelf de trekken van voornoemde penis aangenomen, als hij `graaft en zijn voren trekt in de krater die zich opent als een bloemkroon'. Een typisch surrealistisch arrangement.

Een enthousiast denker of stelselmatig wijsgeer is Ivo niet. Maar het kan ook zijn dat hij al vroeg heeft besloten dat er over de grondslag van het bestaan weinig definitiefs te zeggen valt. `De waarheid kan niet worden gezegd' noteert hij ergens. Daarvoor in de plaats biedt hij ons een lichte en onbevangen levenshouding, vol humor en erotiek en met een open en optimistisch oog. `De schoonheid van de wereld redt mij' zo houdt Ivo zichzelf voor. En hij heeft er geen moeite mee in het immer klaterende water van de fontein te horen `dat het leven een zang is zonder einde'. Lêdo Ivo is een dichter met vele gezichten, maar misschien kan zijn poëzie nog het best begrepen worden als die van een oprecht en overtuigd zondagsdichter die zijn ogen op het zonnige strand van Maceió goed de kost geeft, en elke zondag weer opnieuw begint, alsof hij het genre zojuist heeft ontdekt: `Voor iemand als ik is alles een begin'.

Lêdo Ivo: Vleermuizen en blauwe krabben. Uit het Portugees vertaald en met een nawoord van August Willemsen. Wagner & Van Santen, 192 blz. ƒ49,50

Buitenlandse literatuur