Weer zijn oude cryptische zelf

De teksten van Dylan hebben meer te maken met poëzie dan met pop. Toch zit de kracht van de woorden voor een groot deel in de muziek.

`ALS WALT WHITMAN nu zou leven, speelde hij elektrische gitaar'', schreef een Amerikaanse criticus in 1967 in een artikel over de culturele betekenis van Bob Dylan. De beroemde negentiende-eeuwse dichter, die als `democratische bard' brak met het formalisme in de Amerikaanse poëzie, was niet de enige literator met wie Dylan in het begin van zijn carrière vergeleken werd. Dylan was de man die had bewezen dat rock & roll niet per se hoefde te gaan over tienerliefde of snelle auto's, en hij werd daarvoor door de (pop)critici beloond met inlijving in het pantheon van de moderne poëzie. Dylan was niet `gewoon' een popster, hij was een collega van Carl Sandburg en Allen Ginsberg. Of, zoals hij zelf zong in I shall be free no 10: `Yippee I'm a poet/ and I know it/ Hope I don't blow it'.

Dylan heeft zijn poëtisch krediet nooit verspeeld, maar dat laat onverlet dat zijn teksten – zoals praktisch alle poplyriek – zonder de begeleidende muziek veel van hun kracht verliezen. Dit geldt zowel voor strak in de vorm zittende ballades als A hard rain's gonna fall en Hurricane, als voor associatieve verzen als Visions of Johanna en Subterranean homesick blues. Zelfs de gedenkwaardigste regels uit deze laatste sixties-klassieker (`Don't follow leaders, watch the parkin' meters'; `You don't need a weatherman to know which way the wind blows') komen op papier en zonder de opzwepende begeleiding niet over als de sublieme aanklacht tegen het burgerdom die ze eens waren.

De verwerpelijkheid van de bourgeoisie werd het belangrijkste thema van Dylan toen hij zich in 1964 ontworstelde aan zijn verleden als folkzanger. De ongezouten maatschappijkritiek van de protestliederen waarmee hij naam had gemaakt, werd vervangen door subtieler verzet tegen de samenleving. De zanger en ik-figuur van Dylans liedjes was altijd al een non-conformist geweest, een Huckleberry Finn-achtige zwerver die niet kon aarden in een doorsnee baan of liefdesrelatie (`You're the reason I'm travelin' on/ Don't think twice, it's all right'); en in liedjes als Ballad of a thin man en Rainy day women nos 12 & 35 (`They stone you...') maakte hij korte metten met de burgerman en de consumentenmaatschappij waaraan die zijn ziel verkocht had.

In het midden van de jaren zestig, toen rassenrellen en Vietnamdemonstraties de `Great Society' van president Johnson ondergroeven, schetste Dylan een somber beeld van Amerika. Soms deed hij dat op een bloedserieuze manier, zoals in It's alright, ma (I'm only bleedin'), dat in 1969 nog zeer toepasselijk gebruikt zou worden in de film Easy Rider; soms in de vorm van slapstick, zoals in Motorpsycho nightmare. In dit nummer uit 1964 overnacht een gemotoriseerde zwerver op de boerderij van een rabiate anti-communist. Als hij door de dochter des huizes – een kruising tussen een Fellini-vrouw en Norman Bates – uitgenodigd wordt voor een douche, kan hij zich maar op één manier redden. Hij roept keihard `I like Fidel Castro and his beard', en wordt onmiddellijk het huis uit gezet door de boer, die hem in woede nog enkele Reader's Digests nagooit.

Nog beroemder werd Dylan met zijn abstractere impressies van de toestand in de wereld. In het allegorische Desolation row (van zijn meesterwerk Highway 61 Revisited uit 1965) roept hij met behulp van vreemde beeldspraak en verrassende omkeringen een deprimerend stadslandschap op dat wordt gekenmerkt door onderdrukking, chaos, levenloosheid en gekte. Einstein reciteert het alfabet, Casanova heeft een minderwaardigheidscomplex, Romeo loopt een blauwtje en intussen verkopen `ze' ansichten van een executie en verven `ze' de paspoorten bruin. Het is een Umwertung aller Werte, een ineenstorting van de westerse cultuur, en het hoeft niet te verwonderen dat Desolation row, met zijn fragmentarische opbouw en vermenging van hoge en lage cultuur, door sommige critici werd beschreven als een update van T.S. Eliots modernistische gedicht The Waste Land. Had Dylan dat al niet zelf gesuggereerd door Eliot in Desolation row op te voeren als kapitein van de Titanic?

In de jaren na zijn legendarische motorongeluk (1966) keerde Dylan zich steeds meer af van de exuberante en surrealistische teksten waarmee hij onder anderen John Lennon en Leonard Cohen had beïnvloed. Op het country & western-achtige album John Wesley Harding en in zijn liedjes met The Band (The Basement Tapes) riep hij het platteland en de stoffige wildernis op in plaats van het drukke stadsleven. Zijn metaforen, bijvoorbeeld in het mysterieuze All along the watchtower, kwamen uit de Bijbel – als een voorbode van de aanstekelijke gospels (Slow train coming, You gotta serve somebody) die hij zou maken in de jaren dat hij zich tot het born-again-christendom had bekeerd (1979-1985).

Maar eerst bediende hij zijn fans uit de jaren zestig – ouder, getrouwd, teleurgesteld in hun idealen – met teksten waarnaar ze in het ik-tijdperk snakten. Op de albums Planet Waves (1974), Blood On The Tracks (1975) en Desire (1976) zong Dylan over liefde, scheiden, ouder worden, zelf-ontplooiing, desillusie en het zoeken naar de zin van het leven. Een enkele keer waagde hij zich nog aan een protestlied – met succes. Het spannend vertelde Hurricane uit 1976 zorgde er misschien niet voor dat de vals beschuldigde zwarte bokser Ruben Carter op vrije voeten kwam, als wereldhit leverde het de oude popster wel de bewondering op van een nieuwe generatie. Zonder de staccato uitgeschreeuwde (machteloze) woede van Hurricane zou Bob Dylan in elk geval voor mij nooit zijn gaan leven.

Dylan heeft mooie religieuze songs geschreven, bijvoorbeeld Man gave names to all the animals, waarin hij geestig verslag doet van het begin der tijden. Toch slaakten zijn fans een zucht van verlichting toen hij in 1997 zijn zoveelste comeback maakte met Time Out Of Mind, een album met ouderwets bluesy teksten die een even desolate als beklemmende wereld oproepen.

De indrukwekkendste van de elf nummers, Tryin' to get to heaven en Not dark yet, beschrijven beide de benarde toestand van een eeuwige zwerver. In de steek gelaten door zijn geliefde waadt hij door modderige rivieren en maakt hij lange treinreizen, van Missouri tot New Orleans, van Londen tot `gay Paree'. Hij is als de ik-figuren uit Dylans vroegste folkliedjes, alleen ouder en wijzer: `I've been down on the bottom of a world full of lies/ I ain't looking for nothing in anyone's eyes/ Sometimes my burden seems more than I can bear/ It's not dark yet, but it's getting there.'

Dylan is weer zijn oude cryptische zelf. Zijn teksten zijn nooit eenduidig en soms ronduit onbegrijpelijk. Maar, zoals Simon Vinkenoog zou zeggen: je vóelt er alles vanaf.