Trou Moet Blycken

Genie

Van der Merwe trou met Van der Merwe:

generasies wat kruisbestuif en sterwe;

familieplase vererf van geslag tot geslag

na kinders wat soos koggelmanders lag.

Kinders kyk melkerig deur katarakke

of kry in agterkamers grand mal,

in die groentetuin paar slakke

en Pa sé: `Die bloed is veels te smal...'

Maar die oudste seun van Tant Lenie

van die agter-Kamdebo

kyk skeel en woedend soos 'n genie

as niemand sy gedagtes glo.

Snags op die werf dwaal basterbrakke

en uit vloerplanke kruip kakkerlakke;

dan is Tant Lenie se oudste seun

met sy gedagtes wat kom in buie reën, alleen.

Hy's halfblind en begin soms skuimmond stuip,

nooit skool toe nie want sulke kinders druip

maar snags op die werf aan die basterbrakke

vertel hy van visioene tussen die groentetuin se slakke.

Etienne van Heerden (geb. 1954)

Van der Merwe-grappen, beweerde ik pas, zijn in Zuid-Afrikaans gezelschap wat Vlamingenmoppen voor de Hollanders zijn. Van der Merwe is de eeuwige pispaal, de Afrikaander van dertien in het dozijn, de achterlijke Eppie.

Er waren, zo telden we, wel tien dichters die Van der Merwe heten.

Het beste en boeiendste woordenboek van het moderne Afrikaans, merkwaardigerwijze A Dictionary of South African English geheten, leert ons dat de komische volksfiguur Koos van der Merwe, de bron van alle grappen, zelfs simpelweg `Van' kon worden genoemd. Hij werd de `Van' bij uitstek.

`The South African social scene has not been the same since Van der Merwe first lumbered on to it a decade ago ... Anecdotes about him are swopped from boardroom to boudoir', vermeldt een verwijsplaats uit 1975.

De naam Van der Merwe stond al voor Doorsnee voor Koos Doorsnee zijn intrede deed.

Ook in de poëzie.

Treursang vir Van der Merwe heet een gedicht van Uys Krige (1910-1987), en hierin is een meneer Honor Sint Marnix van der Merwe de vleesgeworden gewichtigheid die tot onbetekenende stof vergaat. Sterwe en erwe rijmen op Merwe, dat helpt dichters een handje.

In Is dit jy van Wopko Jensma (geb. 1939) wordt de hypocriete, behoudende blanke aangesproken is dit jy wat dink koos van der merwe is maar net 'n grap

– een vraag die thuishoort in het rijtje van: Ben jij het die nu je geweer laadt en haat uit de loop schiet? Ben jij het die nu net doet of je je eigen bruine kinderen niet kent? Ben jij het die begraven wil liggen op een kerkhof, alleen voor blanken?

Als Etienne van Heerden zijn gedicht begint met

Van der Merwe trou met Van der Merwe: / generasies wat kruisbestuif en sterwe

– dan begrijpen we dat de zoveelste variant van de typische Afrikaander in het zonnetje gezet gaat worden.

Familieboerderijen die van geslacht op geslacht worden overgeërfd, kinderen die als hagedissen grijnzen en op achterkamers aan epilepsie lijden, slakken die paren – dit is een gedicht over inteelt.

De oudste jongen van tante Lenie uit de achter-Kamdebo, zeg maar het achterste puntje van de Achterhoek, vormt het resultaat van die inteelt. Zijn gedachten komen met stortbuien tegelijk en hij wordt kwaad als niemand hem gelooft. Dan kijkt hij scheel van woede. `Als een genie' staat er. Is dit een spottende verwijzing naar de dunne scheidslijn die tussen gek en genie wel eens wil liggen? Iedereen mijdt het schepsel, met zijn schuimbekkende stuipen, en naar school gaat het ook al niet, want zulke kinderen zakken toch voor alles. Alleen 's nachts kan de idioot aan de bastaardhonden op het boerenerf iets kwijt over de visioenen die hij heeft tussen de slakken in de moestuin.

Van der Merwe.

Geïsoleerd, alleen. Geen mens die naar hem luistert. Hij denkt met brandend gemoed aan het paren van slakken, een eindeloos paren waaruit alleen maar nieuwe Van der Merwes kunnen voortspruiten.

Steeds opnieuw schetsen Afrikaanse dichters, of ze nu willen of niet, een beeld van hun eigen situatie. Bewust of onbewust vertellen ze altijd iets over hun geschiedenis of hun nationale gemoedstoestand. Zuid-Afrika is zo'n ongemakkelijke constructie, zo'n explosieve dwangbuis, zo'n absurditeit op de rand van een zenuwinzinking dat elk fantasietje, elke anekdote, elke pennenschets al snel een parabel wordt.

Schilderingen van sociale spanningen en verhalen over hopeloze individuen vormen voor je het weet een zelfportret.

Waar niets is opgelost is alles toepasselijk. Het gedicht Genie kan worden gelezen als een poëtische psychografie van de blanke Boer.

Tante Lenie van der Merwe is als een van die ouwe tantes, door Koos Kombuis (geb. 1954) met zoveel haat bezongen in Sommige ou tannie-bluesá –

Met hulle sekslose snawels pik-pik hulle

Aan borde vol koekkrummels

Moers trots op hulle borsspelde

Oorgeërf van geslag tot geslag

– tantes die hij het liefst naar Robbeneiland zou willen sturen. Koos Kombuis (pseudoniem van André le Roux du Toit) debuteerde als dichter in één bundel met Etienne van Heerden. Ze beschrijven het dilemma van een generatie van blanke dichters: wat ze om zich heen zien is rijp voor de strafgevangenis en het gekkenhuis en toch maken ze er zelf deel van uit, om weinig meer dan biologische redenen. `Van geslacht tot geslacht'. Ze staan aan het eind van een geschiedenis die niet tot rechten en traditie heeft geleid, maar tot uitstoting en marginaliteit. Stuiptrekkend en halfblind zien ze visioenen.

    • Gerrit Komrij