Stoel voor dure bips

Het summum van minimalistische meubelconstructie bestaat uit dertien houten staven en twee repen donkerbruin leer, die bij elkaar worden gehouden door niet meer dan vier minuscule spijkertjes. De hoge kinderstoel die Gerrit Th. Rietveld in 1919 ontwierp, steekt zo ingenieus in elkaar dat het bijna ondenkbaar is dat het kunstwerk gebruikt is voor zoiets aards als het eten van een peuterprakje. Toen het meubelstuk in 1988 bij Christie's in Amsterdam ter veiling kwam, legde het Carnegie Museum of Art uit Pittsburgh graag de 115.000 gulden neer die garandeerde dat er nooit meer een kinderbips het leer zou beroeren. De stoel verdween in de vitrine en staat daar tot de dag van vandaag te pronken als museaal topstuk.

Meer dan tien jaar lang dachten de Amerikanen het enige exemplaar van dit ontwerp te bezitten. Totdat vorig jaar in de nalatenschap van architect W. Innikel een tweede kinderstoel opdook. Op dinsdag 22 mei gaat ook dit exemplaar onder de hamer.

In de dertien jaar die tussen de twee veilingen ligt, is het Rietveld-landschap danig veranderd. Eind jaren tachtig was het oeuvre van de De Stijl-voorman nog nauwelijks in kaart gebracht, stukken werden gedateerd aan de hand van vergeelde foto's uit familiealbums en verhalen van de ondertussen vaak stokoude eigenaren. Inmiddels hebben overzichtstentoonstellingen zoals die in het Utrechtse Centraal Museum en internationaal gerenommeerde publicaties zoals Peter Vöge's The Complete Rietveld Furniture (1993) gezorgd dat Rietveld tot de internationale canon van de toegepaste kunst behoort. Geen zichzelf respecterend museum voor de moderne kunst kan het zonder een paar buisfauteuils of een zigzagstoel stellen. Het opduiken van een zeldzaam stuk als de hoge kinderstoel is volgens Marcel Brouwer, Rietveld-expert van Christie's, dan ook te danken aan een `slapende bron'.

Aangezien het hier een tweede exemplaar betreft, heeft het Amsterdamse veilinghuis een voorzichtige taxatie gemaakt die veertigduizend gulden lager ligt dan de 70.000 tot 90.000 waarvoor de stoel in 1988 werd getaxeerd. Maar er zijn meer redenen voor een lagere richtprijs. Het stuk is waarschijnlijk minder oud dan het exemplaar in Pittsburgh, hoewel niet te achterhalen valt of het voorafgaand aan de schenking aan Innikel in 1930 een onzichtbaar bestaan in het atelier heeft geleid. Wat wel aantoonbaar is, is dat gebruikers op een gegeven moment de poten hebben ingekort. Dit is overigens vakkundig hersteld door Rietveld-specialist Jurjen Creman, die voor de restauratie hout gebruikte dat zelfs qua nerf aansluit op het origineel.

Ondanks deze factoren verwacht Brouwer een opbrengst die die van het Pittsburgh-exemplaar niet veel zal ontlopen. ,,Het past in de trend; de prijsstandaarden die eind jaren tachtig zijn gezet voor Rietveld gelden nog steeds'', stelt hij. ,,Twintig jaar geleden was de prijsmarge tussen een originele Rietveld en een latere reproductie van Cassina bijna verwaarloosbaar. Dat is nu wel anders en dat komt grotendeels door een gretige buitenlandse markt.''

Dat het gebruik aan de stukken is af te zien, doet er voor de prijzen blijkbaar weinig toe. De vier buisstoelen uit 1928, afkomstig uit de nalatenschap van de met Rietveld bevriende kunstenaar Mark Kolthoff, vertonen de krassen en deukjes die je verwacht na meer dan zeventig jaar intensief gebruik. Maar zelfs het feit dat het originele baksteenrood van de zitting tussentijds is overgeschilderd met roze, mag de hoogte van de taxatie nauwelijks drukken: 30.000-50.000 gulden.

De crux zit 'm in de zeldzaamheid. ,,De zoveelste zigzagstoel zal inderdaad geen verrassende opbrengt opleveren'', geeft Brouwer toe. ,,Maar als hij is uitgevoerd in rood-wit en gesigneerd en gedateerd is door meubelmaker Gerard van de Groenekan dan is het weer een heel andere zaak.'' Hetzelfde geldt voor de relatief weinig gefabriceerde zigzagtafel en het unieke uit buisvormige balkjes geconstrueerde pianokrukje uit 1928. De kale kratmeubelen die Rietveld in de jaren dertig ontwierp voor Metz & Co zijn daarentegen een stuk gangbaarder en blijven dan ook steken op richtprijzen tussen de drie- en twaalfduizend gulden.

Maar men moet zich nou ook weer niet blind staren op zeldzaamheid. Van de glas-in-loodramen die Rietvelds artistieke geestverwant Theo van Doesburg tussen 1926 en 1928 ontwierp voor de directeurswoning bij het abattoir van het Franse Mullhouse, bestaan geen identieke exemplaren. Maar wie interesse heeft voor de zes ramen, die geveild worden inclusief de sponningen van het inmiddels gesloopte pand, moet wel weten waar hij ze wil plaatsen. Het is toch even wat anders dan een Rietveld-stoeltje dat zich discreet laat wegzetten.

Veiling 20ste Eeuwse Decoratieve Kunst: Christie's, Cornelis Schuytstraat 57, Amsterdam. Kijkdagen:18-20 mei, 10-17u. en 21 mei, 10-16u. Veiling: 22 mei 14u. Tel. 020-5755255

    • Edo Dijksterhuis