Ruim baan voor kunst van de nieuwe eeuw

Als opmaat tot een openbaar debat over cultuur stelden Andries van den Broek en Jos de Haan vorige week op deze pagina dat cultuur de slag om de vrije tijd verliest. Thom de Graaf gelooft hier niets van en ziet het begin van een nieuwe bloeiperiode voor de cultuur in Nederland.

Een nieuwe generatie die alleen nog belangstelling heeft voor plat vermaak; die, gericht op snelle bevrediging, haar vrije tijd voor de buis doorbrengt, kijkend naar commerciële televisie die slechts een gelijkmatige brij van soaps, seks, spanning en sensatie voorschotelt. Een intellectuele elite die de skybox verkiest boven de loge van de opera; die hoogstens nog een aan de uitvalsweg gelegen cultiplex bezoekt waar een makkelijk te consumeren multitainment-mix van film, musical, galerie en luxecatering wordt aangeboden. Kunstenaars, kunstinstellingen, overheid en de doodenkele liefhebber zien machteloos toe hoe cultuur in no time te gronde gaat aan concurrentie met de vrijetijdsindustrie.

In hun artikel `Cultuur verliest slag om vrije tijd', schetsen Andries van den Broek en Jos de Haan een aantal duistere scenario's voor de toekomst van cultuur in Nederland. Al over enkele jaren zullen de eerste musea worden omgebouwd tot appartementencomplexen. Ik heb meer vertrouwen in de toekomst van cultuur in Nederland, in culturele instellingen die erin slagen zich steeds weer te vernieuwen, in kunstenaars die het lukt onze blik op de werkelijkheid telkens weer te scherpen, in een gretig publiek dat met grote belangstelling van dit alles kennisneemt.

Als de tekenen niet bedriegen, staat ons land op dit moment eerder aan het begin van een bloeiperiode in de kunst, dan aan de rand van de afgrond. Een nieuwe generatie kunstenaars verrast met avontuurlijke, onorthodoxe projecten en installaties.

De foto's van Rineke Dijkstra tonen haast confronterend de kwetsbaarheid van jonge mensen. Schilderijen van Marlene Dumas en de korte films van Fiona Tan zijn over de hele wereld te zien, en de creaties van Viktor en Rolf zijn zowel op de Parijse `catwalks' als in de Nederlandse musea een groot succes. En niet alleen in de beeldende kunst maakt Nederland een bloeiperiode door. In de architectuur is Rem Koolhaas al jaren internationaal toonaangevend en sinds kort maakt ook architectencollectief MVRDV furore met zijn conceptuele gebouwen, met als hoogtepunt het ingenieuze Nederlandse paviljoen op de Wereldtentoonstelling. Terwijl gevestigde schrijvers als Cees Noteboom en Margriet de Moor eindelijk in het buitenland de erkenning krijgen die ze verdienen, weet iedere boekenliefhebber sinds de laatste boekenweek dat in ons land een hele generatie allochtone schrijvers staat te trappelen om definitief door te breken. Het Concertgebouworkest en het Nederlands Dans Theater behoren nog altijd tot de internationale top en met namen als Gijs Scholten van Aschat en Pierre Bokma brengt het Nederlands toneel opnieuw een generatie uiterst getalenteerde acteurs voort. Bijzondere nieuwe museumgebouwen verrijzen, oude musea worden gerenoveerd. Diezelfde musea slagen er in een nieuw publiek aan zich te binden, bezoekerscijfers zitten al jaren in de lift.

Kunstenaars en kunstinstellingen tonen aan dat ze opgewassen zijn tegen ingrijpende maatschappelijke veranderingen, ook op de lange termijn. Stoffige, in zichzelf gekeerde musea uit het Nederland van de jaren vijftig maakten nog geen decennium later controversiële, kleurrijke tentoonstellingen. Globalisering, individualisering en digitalisering zullen in de komende jaren het aanzien van de maatschappij ingrijpend veranderen. Dat zal wellicht ook leiden tot meer eenvormigheid in leefstijlen. De kracht van cultuur is dat ze dit soort maatschappelijke grillen al eeuwen weerstaat, er vraagtekens bij plaatst en een tegenkracht vormt. Ook daarom heb ik er alle vertrouwen in dat cultuur in Nederland in de eenentwintigste eeuw niet plotseling het loodje zal leggen.

De vraag is welke plaats de overheid in de toekomst moet innemen in ons florerende culturele landschap. In Nederland is die positie tot nu toe altijd bepaald door Thorbecke's bekende adagium: de overheid is geen oordelaar van wetenschap en kunst. Thorbecke bedoelde daarmee niet dat de overheid kunst en wetenschap niet zou mogen subsidiëren – dat gebeurde ook in zijn tijd al, zij het op zeer bescheiden schaal. Wel moet de staat zich op dit terrein van een oordeel onthouden. Het ontwikkelen van kunst en wetenschap moet worden overgelaten aan deskundigen en mag niet worden verstoord door de politieke waan van de dag. In Nederland adviseren deskundigen in de Raad voor Cultuur over de verdeling van subsidies aan culturele instellingen. Zij geven een kwaliteitsoordeel en kijken daarnaast naar criteria die de staatssecretaris voor cultuur vastlegt in zijn cultuurnota. Formeel beslist de staatssecretaris over subsidies, maar hij volgt over het algemeen de adviezen van de Raad. Het is een hybride subsidiestelsel, waarin zowel kwaliteitscriteria als cultuurpolitieke criteria een rol spelen.

Het Nederlandse systeem heeft belangrijke voordelen. Het leidt tot zekere synergie tussen cultuur, publiek en politiek, die in de andere landen ontbreekt. Die wisselwerking maakt cultuur geregeld tot een actueel gespreksonderwerp en dat komt het draagvlak voor overheidssubsidies ten goede. Dit model moet daarom in beginsel voor de toekomst behouden blijven. Bij de laatste cultuurnota zijn een aantal zwakke punten van het systeem aan het licht gekomen; de cultuurnotasystematiek moet verder worden uitgewerkt en geperfectioneerd om deze weg te nemen. Daarbij vormen de ideeën van Aletta Winsemius misschien een goed uitgangspunt. In haar proefschrift stelt zij een heldere scheiding van kunst- en publieksbeleid voor. Kunstbeleid, gebaseerd op artistieke en kwalitatieve criteria, kan worden gedelegeerd aan deskundigen in de Raad voor Cultuur. Publieksbeleid en cultuureducatie worden vormgegeven door ambtenaren op het ministerie van OC&W. De staatssecretaris moet dan wel regelmatig aan de Kamer verantwoording afleggen over zijn publieks- en cultuureducatiebeleid.

Al kan cultuurbeleid natuurlijk niet om publiek heen, kwaliteit moet in ons cultuurbeleid altijd vooropstaan. De laatste decennia was een soort pendelbeweging zichtbaar: dan weer stond het bereiken van een groter publiek centraal, dan weer lag de nadruk op het ondersteunen van kwaliteit. In Nederland bezoeken redelijk veel mensen zo af en toe een voorstelling, concert of museum. Maar uit onderzoek blijkt telkens opnieuw dat het niet realistisch is nog een enorme publieksgroei te verwachten. Uiteindelijk ontleent kunst haar waarde ook niet aan het aantal bezoekers dat erop af komt. Juist kwetsbare, experimentele cultuuruitingen verdienen bescherming in een volwaardige democratische samenleving als de onze. De overheid moet schouwburgen, musea, orkesten en dansgezelschappen dan ook in de eerste plaats ondersteunen waar ze goed in zijn: het leveren van kwaliteit.

Daarnaast moet geïnvesteerd worden in cultuureducatie. Mensen moeten al jong de kans krijgen om in contact te komen met cultuur en een eigen smaak te ontwikkelen; jongeren vormen het publiek van de toekomst. Culturele instellingen zélf hebben de taak het publiek dat in beginsel in hun activiteiten geïnteresseerd is ook werkelijk aan te trekken, bijvoorbeeld door hun activiteiten meer toegankelijk te maken door middel van intensievere voorlichting of door ze actief te `marketen'.

Een cultuurbeleid op deze grondslagen vergt een ruimhartig investeringsbeleid. Recente inspanningen leidden al tot een extra investering in de culturele sector van zo'n 40 miljoen gulden. Ook in de toekomst moet voor cultuur een ruim budget beschikbaar zijn. Uiteindelijk zal dat, zoals door PvdA en D66 voorgesteld, moeten stijgen tot een vast percentage van het bruto nationaal product.

Hoezeer ook de overheid haar inspanningen op het gebied van cultuur intensiveert, de overheid kan het niet alleen. Dat toont de Utrechtse hoogleraar Peter Hecht maar weer eens aan in zijn recent verschenen essay `Gelukkige momenten, gemiste kansen'. Daarin beschrijft hij hoe Nederlandse musea veel topstukken mislopen, onder meer omdat de prijzen op de internationale kunstmarkt tot zulke onwaarschijnlijke hoogten zijn gestegen. Nog geen twee weken terug bleek hoe het Noordbrabants Museum met geen mogelijkheid op korte termijn voldoende fondsen bijeen kon schrapen om mee te bieden op een schilderij van Van Gogh.

Met steun van particuliere organisaties als de Vereniging Rembrandt, de Nationale Sponsorloterij en het bedrijfsleven lukt het de laatste jaren echter een aantal andere belangrijke werken van Mondriaan, Monet en Cézanne wèl naar Nederland te krijgen. Particulieren zijn ook de financiers van een aantal kleine, eigenzinnige musea die recentelijk hun deuren openden en die stuk voor stuk een aanwinst zijn voor het culturele landschap. Royale financiering uit particuliere hoek zegt ook iets over het brede draagvlak dat in Nederland voor cultuur bestaat. Dit waardevolle nieuwe mecenaat moet verder gestimuleerd worden, bijvoorbeeld met aanvullende fiscale maatregelen en het instellen van een matching fund op nationaal niveau.

Lagere overheden zijn in ons land traditioneel de grootste financiers van cultuur. Gemeenten en provincies zitten boven op de laatste ontwikkelingen in het cultuurlandschap. Vanuit deze positie kan men vaak goed inschatten welke kleine initiatieven ondersteuning verdienen. Gemeenten kunnen in de toekomst misschien de taak van de Raad voor Cultuur enigszins verlichten, bijvoorbeeld door, als een soort achtervang, de vele nieuwe aanvragen van kleinere instellingen te beoordelen. Nieuwe ontwikkelingen moeten, vooral binnen de grote steden, ook letterlijk onderdak krijgen. En dat is geen eenvoudige opgave in een overspannen huizenmarkt, waar ook veel andere instellingen een onderkomen eisen. Grote steden zouden als cultureel planoloog heldere plannen moeten ontwikkelen ten aanzien van de culturele infrastructuur in de stedelijke ruimte. Oude scholen, ziekenhuizen en fabrieken kunnen worden ontwikkeld tot een fijnmazig netwerk van culturele broedplaatsen. Dit kan echter niet zonder de financiële en morele steun van de staatssecretaris van Cultuur.

D66 is bereid te investeren in kwaliteit van een sterke, onafhankelijke culturele sector en heeft veel vertrouwen in het culturele potentieel van ons land voor de eenentwintigste eeuw. Het is nu misschien tijd om de kunst van die eeuw ook een eigen plaats te geven. Het KIASMA-instituut in Helsinki zou als voorbeeld kunnen dienen; een kunstencentrum dat volledig is ingericht op het gebruik van nieuwe media. Een schitterend vormgegeven centrum, waar bezoekers makkelijk binnen lopen om zich te laven aan hedendaagse kunst. Een echt museum van de eenentwintigste eeuw. Een goed alternatief ook voor het `cultiplex' met `multitainment' aan de snelweg.

Thom de Graaf is lid van de Tweede Kamer en voorzitter van de fractie van D66.

Op 8 juni zal in Amsterdam een debat over cultuur en beleid worden gehouden. Daaraan voorafgaande ontvouwen fractievoorzitters uit de Tweede Kamer op deze pagina hun visie over de toekomst van de cultuur.

Lezers kunnen via internet hun bijdrage aan de discussie leveren:

kunstvoorwie@tegenspraak.nrc.nl