Nieuwe ogen, maar de wereld uit zicht

Robert Allen Zimmerman werd Bob Dylan. Zanger, troubadour, elektrisch spook, in de Heer en weer eruit. Van folkman tot rockzigeuner.

ZESTIG EN NU PAS ONTSNAPT aan de sixties. Eindelijk losgeknoopt uit de dwangbuis van wereldverbeteraars, bewonderaars en afzeikers. Toch nog bevrijd uit de caissoncabine van Woodstock-knuffelaars en -knuppelaars.

Wie is Bob Dylan?

Een kunstenaar, wat er verder ook allemaal leerstellig af te dingen is op zijn kreupelrijm, zijn sanatoriumstem en zijn ongedisciplineerde gitaarstijl. De `Picasso van de pop', meende Leonard Cohen. Of: de Van Gogh. Iedereen weet dat,die hem op een podium heeft gezien. De kraakstem-knarser-troubadour met zijn zeemleren zwerversgezicht, die twee blauwe ogen naar het plafond rolt en knarst en kraakt verbrande schoonheid.

Bob Dylan is geen filosoof, wat zijn fervente aanbidders ook voor diepzinnige wijsheid mogen aanzien in zijn haatdragende, liefdevolle, luie, bittere of kolderieke liedteksten hooguit een filosoof die denkt met zijn stembanden.

Het is maar een voorbeeld: ,,Het Niets nietst'', zei een duistere Duitse denker ooit belachelijk natuurlijk, lachen. En toch, iedereen die Dylan Too much of nothing heeft horen zingen, of hem afscheid van zichzelf heeft horen nemen op Oh Mercy, kan weten wat de Duitser bedoelde.

Bob Dylan is een humorist.

Een Chaplin op de planken in New York, komiek van de talking blues. Later een meester van de harteloze belediging, een man die zijn vrouw van advies dient met de woorden: ,,Vertel me waar het pijn doet, schatje, en ik zeg wel wie je moet bellen.''

En een man die zie What was it you wanted botweg een plaspauze neemt in een echtscheidingsgesprek, en dan vergeet waar het ook alweer over ging.

Sarcasme smaakt altijd naar meer.

Voor wie het dan nog niet wil weten, is er het anarchisme van The Basement Tapes, voortratelende gedrogeerde gekte op een bedje van elektrische herrie, absurder en grappiger dan revolutionairen van de linkeroever ooit voor mogelijk moeten hebben gehouden.

Bijna vergeten: Bob Dylan is een ster.

Overladen met eerbewijzen en onlangs nog beloond met een gouden Hollywood-beeldje. Voor een inktzwart bluesnummer, Things have changed waarin hij aankondigt aan de haal te gaan met ,,de eerste de beste vrouw die ik ontmoet'' en belooft dat ,,als de Bijbel gelijk heeft, deze wereld ontploft.'' Ootmoedig in zijn dankbare rancune tegenover een zaal vol pooiers, performers en patsers in galatenue.

Bob Dylan is namelijk ook: een on- heilsprofeet.

Ondermijnend, zelfs in Gods ogen. De wereld deugt niet: dat is alles wat het geval is. En de vijand verandert nooit, behalve van kostuum.

Wanneer was Bob Dylan die dingen?

Begin jaren zestig had Robert Allen Zimmerman (Duluth, 1941) al uit allerlei muzikale bronnen gedronken: Hank Williams, Robert Johnson, Buddy Holly, Woody Guthrie. In New York werd hij herboren tot Bob Dylan: de folkman, een kind met het troosteloze geluid van de Oklahoma dustbowl, die in The lonesome death of Hattie Carroll een schurende aanklacht laat horen tegen het rijkeluiskind dat een zwarte bediende doodslaat. De vitale stem van kiezelstenen die onrecht hekelt, zoals dat sinds de profeten niet meer is gedaan.

Halverwege de jaren zestig breidde Dylan uit met een elektrische gitaar, beat poetry en een handvol pillen. Een tweede keer herboren: nu als een surrealistische kunstenaar die in `Visions Of Johanna' een heroïne-hol oproept waar de verwarmingsbuis hinderlijk reutelt. Het elektrische spook, intussen, giert door de botten van haar gezicht. Cool. Hip haar ook.

Grootmeester in de kunst van het mind fucken, de elitaire haatspelletjes om de geest van minder hippe medemensen te breken. Jij zult mij nooit begrijpen, brave borst, want ik ben veel moeilijker en gekker dan jij, en eerlijk gezegd, beste Jansen, maakt het me ook geen moer uit wat jij van me vindt.

Verveel ik je?

Eind jaren zestig sloeg deze Dylan over de kop, ook letterlijk. Van de slippende motor, een Triumph, belandde hij in de kelder, alweer letterlijk. Aan het werk met The Band, voor The Basement Tapes en een wilde rit met stripboekjes, zelfgestookte brandewijn, en een hospita die je slingerend naar je kamer helpt. Humor, maar ook ijzingwekkend verdriet.

Brandende wielen en tranen van woede.

En opnieuw herboren: het platteland heeft immers geen mind fuck nodig. Luister naar John Wesley Harding. Daar verschijnt, in I dreamed I saw Saint Augustine, de heilige Augustinus 's nachts voor het oog van de schuldenaar.

Halverwege de jaren zeventig: nieuwe crisis. De kunstenaar ligt in scheiding, en ontdekt de bitterzoete kunst van de zelfdestructie. Luister naar Blood on the Tracks en Hard Rain.

Boos geboren.

In One too many mornings brult een man die ziet hoe ook de brutaalste honden hun geblaf verliezen, hoe zelfs de stilste nacht versplintert. In Shelter from the storm is de kogel door de kerk: opgejaagd als een krokodil, voor dood achtergelaten in de bosjes gehavend en verwoest.

Eind jaren zeventig werd het tijd voor de Heer om in te grijpen, de bard bij zijn bretels te vatten en te gebieden: sta op, bid en zing!

Dat was de vierde wedergeboorte, nu tot fundamentalistisch christen.

Misantrope preken over het Hellevuur, op zoek naar de bevrijder van lust en gekte, naar het geweten aan gene zijde, en naar de Ene ongenaakbare met wie geen afspraken te maken zijn, die geen angsthazen van advies dient, en niet bedoeld is voor achterom-kijkers. Dylan vond deze God en verloor Hem toen weer.

Stuurloos in de jaren tachtig. Pas tegen het einde van dat decennium voor de vijfde keer herboren: als wereldwijze bluesman, die de waarheid zonder te knipperen onder ogen ziet. Everything is broken: alles ligt in duigen.

Niet gelouterd, niet verzoend hooguit gelaten.

Begin jaren negentig: herboren tot rockzigeuner, wiens voetafdrukken overal ter wereld zichtbaar zijn, van Kerkrade, Parijs en Innsbruck tot Kalamazoo en Sint Petersburg. Altijd op pad, elke avond een podium, een nieuwe kans om te boeten met oude noten. Terug naar de bron.

Een hartkwaal later: en dan opeens weer herboren als superster. Ten langen leste opnieuw omarmd door een publiek dat eindelijk over de kater heen is van de Jezus-verering en de protestmachinerie. Herrezen uit het niets, maar ook: tot niets. Luister naar zijn laatste werk, Time Out of Mind.

Poseren voor een lege spiegel.

Hoe eenzame stationsharten slingeren aan een gouden ketting. Hoe je overal geweest kan zijn, jongens, en er nog steeds niets van begrijpen. Hoe je nieuwe ogen krijgt en de wereld steeds verder uit zicht raakt.

Hoe je zo ver mogelijk bij jezelf vandaan komt. Hoe ingewikkeld eenvoud kan zijn. Kunst, humor, dubbele bodems. Hij werkt door, deze zang- en dansman. ,,Het is nog niet donker'', zingt hij in Not dark yet, ,,maar wel bijna zover.''

Dat is alles wat het geval is.