Enig sprokkelwerk

I

Tot de taken van een diplomaat behoort het rapporteren over de indruk die het beleid van zijn regering maakt op de openbare mening in het land waar hij gevestigd is. Aan dat rapporteren gaat, zo mogen we aannemen, een zeker onderzoek vooraf. Wanneer nu het ministerie van Buitenlandse Zaken een extern bureau in de arm neemt om te weten te komen wat Nederlands imago in het buitenland is, ligt de conclusie voor de hand dat er iets schort aan de manier waarop de Nederlandse diplomatie die taak volvoert.

Althans, voortaan – zo lezen we in de Volkskrant – gaan 25 ambassades uitgebreid rapport uitbrengen over berichtgeving in de media, vooral met betrekking tot zaken als euthanasie en homohuwelijk, aan de hand van een standaard vragenlijst opgesteld door een extern bureau. Blijkbaar zijn die ambassades zelf niet in staat zo'n lijst op te stellen of is het ministerie niet in staat uit de antwoorden die het van zijn ambassades ontvangt, een paar standaardconclusies te trekken.

Vorig jaar heeft het ministerie al door hetzelfde bureau een onderzoek laten instellen in vijf landen. Vooral Amerikanen en Duitsers bleken negatief te oordelen over zaken als het gedogen van drugs en prostitutie. Is er werkelijk zo'n bureau voor nodig om tot zo'n conclusie te komen? Iedere geïnteresseerde krantenlezer wist dat al.

,,Als er sprake is van negatieve beeldvorming, komt natuurlijk de vraag op wat daartegen te doen valt'', zo citeert de Volkskrant de te hulp geroepen onderzoeker. Nu, van één ding kunnen we zeker zijn: aan het beleid en de wetgeving die aanleiding geven tot dat negatieve beeld, wordt niets veranderd. Men is niet geïnteresseerd in de oorzaak, maar alleen in het imago.

II

Negen ,,vernieuwende wetenschappelijke thema's'' heeft de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) gekozen, die zij ,,in de komende jaren via thematische stimulering tot verdere ontwikkeling zal brengen'', aldus haar Strategienota 2002-2005. Tot die thema's behoren: cultureel erfgoed, cognitie en gedrag, fundamenten van levensprocessen, systeem aarde, nanowetenschappen.

Een ander thema is ,,ethische en maatschappelijke aspecten van onderzoek en innovatie''. Maar is dit wel een wetenschappelijk thema? Goed, naar de maatschappelijke aspecten kun je een stel sociologen laten kijken. Maar naar de ethische? Zeker, onderzoek en innovatie roepen ook ethische problemen op. Dat valt niet te ontkennen, maar kunnen die problemen wetenschappelijk opgelost worden? Is dat niet meer iets voor de politiek?

In een nadere verklaring staat dat ,,onder meer de vraag naar de wijze waarop in een pluralistische en democratische samenleving morele kaders kunnen worden ontwikkeld (moraalontwikkeling), centraal (zal) staan''. Als er had gestaan: `worden ontwikkeld', zou je kunnen zeggen: oké, dat is een onderwerp voor wetenschappelijk onderzoek. Maar er staat: `kunnen (mijn cursivering) worden ontwikkeld'. Daar zit een intentie achter, en die levert de wetenschap niet.

III

In Trouw stond onlangs tussen de redactionele kolommen een advertentie waarin enige mensen en organisaties steun uitspraken voor de eisen van de vijf Koerdisch-Iraakse hongerstakers. Een op zichzelf honorabele zaak. Maar het merkwaardige aan die verklaring was dat zeven van de ondergetekenden journalist waren. Niet dat die niet honorabel zijn, maar beschikken die niet over een eigen forum, van waaraf zij hun meningen kunnen verkondigen?

Journalisten die open brieven of manifesten ondertekenen, doen eigenlijk afbreuk aan, op z'n minst, de schijn van hun zelfstandigheid. Wanneer zij in hun eigen orgaan dezelfde zaak verdedigen waaraan zij al in een open brief of manifest hun steun hebben gegeven, verliest hun betoog aan overtuigingskracht. Ze staan immers niet helemaal vrij meer? En als ze in hun orgaan kritiek op die zaak uitoefenen, dan verliest hun ondertekening aan geloofwaardigheid.

Een andere, minder principiële opmerking is deze: hun ondertekening getuigt ook van zelfoverschatting. Zij heeft alleen maar kans op effect bij lezers van de kranten of tijdschriften waaraan zij verbonden zijn. Daarbuiten kent niemand hen. Ik las die advertentie in Trouw (waaraan geen hunner verbonden is). Ik denk niet dat veel lezers van Trouw, bij het lezen van hun namen gedacht hebben: o, als hij of zij die oproep ondertekent, dan is het zeker een goede zaak.

IV

Je kunt van het naoorlogse Duitsland zeggen wat je wilt, maar het schroomt niet het jongste verleden onder ogen te zien. Nog steeds zijn de media niet uitgepraat over de Hitlertijd, en sinds weken prijkt bovenaan de lijst van bestsellers Sebastian Haffners boek over zijn jeugd in die tijd. Kom daar eens in andere landen, bijvoorbeeld Oostenrijk en lange tijd ook Frankrijk, om.

Een verheugend verschijnsel. Maar het heeft ook problematische aspecten. De politicoloog Arnulf Baring vermeldde die op een forum dat het weekblad Der Spiegel (dat trouwens begonnen is met weer een serie over de Hitlertijd) had georganiseerd op de verjaardag van het einde van de oorlog in Europa. Baring zei:

,,De Duitse geschiedenis is ineengeschrompeld tot die twaalf jaar (van de Hitlertijd). Ik geloof dat het land deze voortdurende en obsessieve belangstelling voor het somberste hoofdstuk van zijn vele verledens niet verdraagt. Er zijn politici die gezegd hebben dat de basis van onze identiteit Auschwitz is. Dat betekent volgens mij dat wij onszelf op een manier definiëren die wij niet kunnen uithouden. We moeten een voldoende goede opvatting over onszelf hebben.''

Er volgde tegenspraak op deze analyse, o.a. van minister van Buitenlandse Zaken Joschka Fischer, eveneens lid van het forum, maar als Baring enigszins gelijk heeft, dan staat het Duitse zelfbeeld in schril contrast tot het Nederlandse. De Nederlanders immers, generaties lang gevoed door koningin Wilhelmina en Lou de Jong, hebben een heel goede mening over zichzelf – vooral over hun gedrag onder de Duitse bezetting.

Aan die mening ontlenen velen, die tientallen jaren na de oorlog geboren zijn, het recht hun Duitse tijdgenoten nog steeds de les te leren (als het niet erger is). Ik weet niet bij wie ik mij onbehaaglijker voel: dat soort Nederlanders of de Duitser die zich nog steeds meent te moeten verontschuldigen voor de misdaden van zijn voorgeslacht.