Dronken worden met Juliana

Tijdens een onaangekondigd nachtelijk bezoek aan schrijver J.J. Voskuil vertelde diens uitgever Geert van Oorschot over zijn audiëntie bij koningin Juliana. Hij had zich bij de vorstin aangediend omdat hij haar wilde vragen in te tekenen op het verzamelde werk van Multatuli. ,,En toen kwam er een man binnen in zo'n pak, met een kar met allemaal drank'', aldus Van Oorschot. ,,Wat ik hebben wou. Nou, wel graag een borreltje, als dat niet te gewoon was tenminste. Nou, dat wou zij ook wel. Maar één borreltje, dat is natuurlijk niks. Dat heb je zo op. Dus toen ik dat op had, pakte ik de fles en ik zeg: Zal ik nog maar eens bijschenken, Majesteit? – Ja, graag, zei ze. En ik zweer bij God dat het waar is: toen ik wegging, hadden we samen de fles op. Ze was ladderzat. En ze stond me vanaf het bordes na te wuiven!''

Het verhaal van die koninklijke drankuitspatting van de in 1987 overleden uitgeefleeuw is te lezen in het nieuwste nummer van Tirade. Voskuil was in 1962 net terug van vakantie toen hij midden in de nacht werd opgebeld door de flamboyante uitgever, die hem vertelde dat hij zijn roman Bij nader inzien ging publiceren. De daaropvolgende avond haalde Van Oorschot Voskuil en zijn vrouw thuis op en bracht hen naar zijn buitenplaats in Loenersloot, waar het wervingsproces tot half vijf 's nachts werd voortgezet onder het eenzijdig genot van sigaren en jenever. ,,Toen ik met uw manuscript thuiskwam, hebben mijn vrouw en ik ons een week lang in bed opgesloten!'' zei Van Oorschot tijdens die kennismaking. ,,We hebben elkaar de bladzijden uit de hand gerukt.'' Kortom, Van Oorschot geloofde in het boek, ook al wist hij dat het door zijn omvang moeilijk aan de boekhandel te slijten zou zijn.

Voskuils herinneringen zijn nauw verbonden met de geschiedenis van zijn debuut. Het boek werd bij verschijnen door de critici vrijwel unaniem de grond in geboord – pas in 1985 kreeg het de erkenning die het verdiende. Aardig is de passage waarin Voskuil vertelt hoe Van Oorschot Bij nader inzien aan de man heeft geprobeerd te brengen. Voskuil: ,,Zo zou hij in de Bijenkorf in Rotterdam de deur op slot hebben gedaan, een fles jenever uit zijn tas hebben gehaald, en net zolang uit mijn boek hebben voorgelezen tot de inkoper er 75 van had afgenomen.''

Van Oorschot wordt door Voskuil niet alleen neergezet als een charmante opschepper, die zo zou kunnen zijn weggelopen uit Het Bureau, maar tevens als een onaangename pathetische patser. Het portret dat in Tirade wordt geschetst, is er dan ook een van een trefzekere eerlijkheid, Maarten Koning waardig. ,,Je bent zo ijdel als de pest. Dat vind ik best, maar je moet dat niet voor vriendschap houden'', zegt Voskuil op een gegeven moment tegen zijn uitgever. Toen Voskuil in 1968 een nieuwe roman af had (Binnen de huid), die Van Oorschot weigerde uit te geven, en het onverkoopbare Bij nader inzien werd verramsjt, was het gedaan met de vriendschap.

Tirade bevat verder ook nog een interview met Voskuil door Arjan Peters en een intrigerende recensie van Voskuils gehele Het Bureau-cyclus door de Belg Paul Willems. ,,Maak er gewoon het beste van, maar verwacht niets terug. En doe dat omdat je dat zelf wil, niet omdat iets of iemand je daartoe verplicht'', zo vat hij de teneur van de boeken samen.

De andere helft van deze Tirade bevat onder meer nieuwe gedichten van Willem Jan Otten en Rutger Kopland. En met het vermakelijke vijfde supplement van Het Van Geel Alfabet (met fait-diversachtige verwijzingen naar Van Oorschots lievelingsdichter Chr. J. van Geel) sluit Guus Middag dit prachtige Tirade-nummer af en is de cirkel rond.

Tirade, 389/2001 nr. 2. Uitgeverij Van Oorschot, ƒ25,-

    • Michel Krielaars