De kiem voor een muziekleven 1

Dylan heeft gezaaid, maar ook geoogst. Elvis Presley en Little Richard inspireerden hem tot het vormen van een rockband. Eenmaal doorgebroken werd Dylan zelf een voorbeeld, onder andere voor zijn oude `held' Presley die een nummer van hem coverde. Een tweeluik over Bob Dylans muzikale invloeden.

BOB DYLAN IS ZONDER TWIJFEL de invloedrijkste tekstdichter en songschrijver uit de pophistorie. Er is praktisch geen liedjesmaker van nu te bedenken, die niet op de een of andere manier schatplichtig is aan de manier waarop Dylan de emancipatie van de intelligente en poëtische poptekst heeft bewerkstelligd. Zijn positie als meest gecoverde artiest van het rocktijdperk tekende zich al vroeg in zijn carrière af, toen folkgroepen als de New World Singers in de rij stonden om nummers te vertolken die hij zelf vaak nog niet eens op de plaat had gezet. De vraag naar nieuwe Dylan-songs nam een hoge vlucht na de hit die Peter, Paul & Mary scoorden met Blowin' in the wind, waarmee de stem van de protestgeneratie tot het grote publiek doordrong. In Nederland kreeg Dylans engagement navolging van Boudewijn de Groot en Armand (Ben ik te min?).

Na de folkwereld was ook het poppubliek snel veroverd, toen The Byrds er in 1965 met Dylans Mr. tambourine man vandoor gingen. The Beatles leerden zijn muziek kennen via het album The Freewheelin' Bob Dylan (1963) en met name John Lennon liet de invloed van zijn geestverwant doorschemeren in complexe songs als Tomorrow never knows. Met Dylan deed het surrealisme zijn intrede in de popmuziek, na de associatieve beat-poëzie van Subterranean homesick blues en de openlijke drugs-referenties in Rainy day women #12 & 35 (`everybody must get stoned'). Them coverde zijn It's all over now baby blue, The Hollies maakten een hele elpee met Dylan-songs en Cher had haar eerste hit met Dylans All I really want to do. Zelfs Elvis Presley kon er niet omheen om een Dylan-nummer te coveren, al behoort zijn rockabillyversie van Don't think twice it's alright tot de curiosa in zijn platenoeuvre.

Tot vervelens toe werden debuterende singer/songwriters in de jaren zeventig gelanceerd als `de nieuwe Bob Dylan'.

Elliott Murphy, John Cougar Mellencamp, Steve Forbert en zelfs Bruce Springsteens verdienden dat predikaat omdat ze een gruizig stemgeluid koppelden aan een persoonlijke hand van songschrijven, maar met uitzondering van Springsteen slaagde geen van hen erin om het grote voorbeeld te overschaduwen. Zelf vertrok Dylan op een `never ending tour', verslaafd als hij was geraakt aan de voortdurende herinterpretatie van zijn repertoire, een monument waar hij zonder gêne tegenaan pist met valse, ongeïnteresseerde of ronduit lelijke versies. Meestal eindigt hij met het rock & roll-epos Like a rolling stone uit 1966, dat een kleine dertig jaar na dato nog eens slapjes werd gecoverd door de Rolling Stones.

Het begrip `Dylanesque' was van toepassing op navolgers als Mott The Hoople, The Waterboys, Thelonious Monster en zeker The Wallflowers, de groep van zoon Jakob Dylan. Van de duizenden Dylan-covers die er in omloop zijn noemen we Absolutely sweet Marie door Jason & The Scorchers, Knocking on heaven's door van Guns N' Roses, Leven na de dood van Freek de Jonge (een bewerking van Death is not the end) en The times they are a-changin' door Tracy Chapman: bewijs dat Dylans invloed in bijna alle popgenres voelbaar is. Met uitzondering van de dance, maar daarin is dan ook zelden sprake van doorleefde zang en intelligente teksten.

    • Jan Vollaard