Staat dicht imams rol toe die ze niet hebben

De reacties op de uitlatingen van imams over homoseksualiteit geven te denken over de mate waarin onze maatschappij een pluraliteit van levensvisies accepteert, vindt Peter van der Veer.

In de discussie over de denkbeelden van Nederlandse imams over homoseksualiteit valt op dat het geweld van sommige Marokkaanse jongeren tegen homoseksuelen als onderwerp naar de achtergrond is verdwenen. Verder is opmerkelijk dat er een ongefundeerde zekerheid bij Nederlandse niet-moslims over de rol en positie van imams in moslimgemeenschappen lijkt te bestaan. Meer in het algemeen kan men zich afvragen hoe het mogelijk is verbaasd te zijn over de gedachte dat homoseksualiteit voor moslims onacceptabel is.

Een dergelijk verbazing is een teken van de buitengewone ongeletterdheid van Nederlanders vandaag de dag ten aanzien van godsdienstige levensovertuigingen in het algemeen en van de islam in het bijzonder. Iedereen die ook maar rudimentair op de hoogte is van wereldgodsdiensten als het christendom en de islam weet dat de schriftuurlijke tradities in die religies homoseksualiteit als een verderfelijke afwijking van de door God gegeven orde beschouwen. Nederlanders die voor de jaren zestig christelijk zijn opgevoed zullen zich weinig tolerantie ten opzichte van homoseksualiteit kunnen herinneren.

Sinds de jaren zestig heeft zich zowel een seksuele revolutie als een snelle secularisatie in Nederland voorgedaan, maar ons collectief geheugen kan toch niet zo vervormd zijn dat we ons de Tweede Wereldoorlog bij voortduring herinneren, maar het christelijk karakter van Nederland niet. Bovendien worden we met enige regelmaat herinnerd aan officiële christelijke standpunten ten aanzien van seksualiteit door onder anderen de leiders van de rooms-katholieke kerk.

De pavlovreactie van media en politici na de uitspraken van een Marokkaanse imam over homoseksualiteit is wellicht het best te begrijpen uit het grote onbehagen van de meerderheid van de Nederlanders over het feit dat sommige medeburgers nog niet modern en geseculariseerd zijn. Als die medeburgers zich bovendien niet op de Veluwe of in Zeeland, in de `bible belt' van Nederland bevinden, maar in de grote steden en bovendien moslims, dan is ons land te klein. Het lijkt mij duidelijk dat juridisering van het geseculariseerde onbehagen niet alleen geen veroordeling zal opleveren, maar ook een vrije uitwisseling van gedachten alleen maar bemoeilijkt.

Niet alleen de imams dienen daarom verder opgeleid worden, maar ook onze media en politici. Het kan niet zo zijn dat de heren Kok, Dijkstal en Van Boxtel de Nederlandse imams bestraffend gaan toespreken over religieuze opvattingen die door het grootste gedeelte van de moslimse schriftgeleerden worden gedeeld. Het kan al helemaal niet zo zijn dat de staat aan deze onwelgevallige meningen de mogelijkheid van uitzettingen uit ons land verbindt. Het zal ook niet zo'n vaart lopen, omdat daaraan elke juridische grondslag ontbreekt, maar het klimaat dat met dit soort onvoorzichtige uitlatingen geschapen wordt is funest voor de multiculturele samenleving waarin wij leven.

De reacties op de uitlatingen van imams geven werkelijk te denken over de mate waarin onze maatschappij een pluraliteit van levensvisies accepteert. De `inburgeringscursussen' die zowel door imams als door journalisten en politici gevolgd zouden moeten worden, zouden in ieder geval iets duidelijk kunnen maken over twee problemen die in het debat tot dusver te weinig aandacht krijgen: het toenemende geweld van Marokkaanse jongeren jegens homoseksuelen en de aan de imams toegedachte (of toegedichte) rol als vertegenwoordigers van etnisch-religieuze groepen in Nederland.

Het heeft mij ontsteld hoe snel de discussie over het geweld door Marokkaanse jongeren jegens homoseksuelen ontaard is in een discussie over de islam. Er zijn in Nederland altijd potenrammers geweest, maar ik heb nog nooit iemand gehoord die een systematisch verband legde tussen orthodox-christelijke opvattingen, de rol van dominees of paters, en de motivatie van mensen om homoseksuelen in elkaar te slaan.

Zou het niet veel verstandiger zijn na te gaan waar dat geweld uit voort komt? Dit is een belangrijk onderwerp voor onderzoeksjournalistiek. Het is in ieder geval interessant dat er een oude, deels oriëntalistische gedachte bestaat dat homoseksualiteit in Marokko heel gewoon is. Dit is een complexe gedachte die niet eenvoudig te interpreteren is, omdat seksualiteit niet alleen een natuurlijk, maar ook een historisch en cultureel gegeven is. Zo kan bijvoorbeeld de mate van lichamelijke intimiteit tussen mannen en tussen vrouwen groot zijn in sekse-gesegregeerde samenlevingen zonder dat die direct seksueel te duiden is.

In ieder geval is het zo dat de aan Marokko toegedachte relatieve tolerantie op dit gebied al zeker honderd jaar een soort homoseksueel en pedoseksueel sekstoerisme vanuit het Westen naar Marokko heeft bevorderd. Vooral waar er sprake zou kunnen zijn van verhoogde homoseksuele belangstelling voor Marokkaanse jongeren, die zich merendeels in een situatie van aanzienlijke economische en sociale ongelijkheid bevinden, zou dit patroon wel eens tot homofobisch geweld in Nederland aanleiding kunnen geven. Daarmee is het niet goed gepraat, want seksueel gemotiveerd geweld valt nooit goed te praten. Het lijkt me echter meer de moeite van onderzoek waard dan de gedachte dat imams vanaf de kansel preken dat deze jongeren als goede moslims potenrammers zouden moeten worden. Ten eerste doen die imams dat niet en verder is het de vraag of die jongeren zich onder hun gehoor bevinden.

De positie van de imam in dit alles is fascinerend. Het eigenaardige is dat Nederlanders nog wel genoeg van hun eigen religieuze geschiedenis weten om te denken dat predikanten en pastoors de leiders (herders) van hun gemeente zijn en dat imams dezelfde rol vervullen. Dat laatste is echter niet zo. De islam heeft geen kerk, geen duidelijke hiërarchie en zeker kan de imam, die in principe niet meer is dan de leider van het gebed, niet zomaar door de media en de politici gebombardeerd worden tot geestelijk leider. De islam is in feite een nogal pluralistische, pluriforme religie, waarin veel stromingen om de voorrang strijden. Aan de religieuze debatten doen allerlei moslimintellectuelen mee, zeker niet alleen imams.

Het paradoxale gevolg van de overheidsbemoeienis met de imams is dat deze een plaats in de gemeenschap krijgen toegedicht die zij helemaal niet hebben. Hun rol wordt daarmee door druk van buiten enorm vergroot. De toekomst zit helemaal niet in verbetering van de opleiding van imams, maar in de opkomst van een moslimintelligentsia die in onderling debat een op het moderne Europa gerichte islam ontwikkelt. De staat moet hier juist enige afstand bewaren, omdat de legitimiteit van een door de Nederlandse overheid opgedrongen religieuze leiding gering zal zijn. Het oude gereformeerde beginsel van soevereiniteit in eigen kring zou hierbij een leidraad kunnen zijn.

Dat alle moslimgedachten prettig zullen zijn voor een liberale sensibiliteit of dat de islam langzaam gemarginaliseerd zal worden, zoals in het recente verleden het Nederlandse christendom, mag door velen gewenst worden, maar mag niet het uitgangspunt van overheidsbeleid zijn. En zeker valt het te hopen dat niet elk probleem met het gedrag van sommige Turken of Marokkanen gereduceerd wordt tot een probleem met de islam. Die gemakkelijke reductie is een groot gevaar voor het debat in onze multiculturele samenleving.

Prof.dr. P.T. van der Veer is hoogleraar godsdienstwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en co-director van de International Institute for the Study of Islam in the Modern World, een onderzoekscentrum waarin de universiteiten van Amsterdam, Leiden, Nijmegen en Utrecht samenwerken.