Ook als Spanje minder arm is, wil het EU-geld

Spanje krijgt, als een van de armere regio's, veel geld van de Europese Unie. Dat moet zo blijven, vindt de Spaanse regering, ook als straks nog armere landen lid worden van de Unie.

Josep Piqué, de Spaanse minister van Buitenlandse Zaken, lijkt niet te begrijpen waarom anderen zich opwinden, zo ontspannen is zijn optreden. Al wekenlang ergeren de meeste van zijn Europese collega's zich over de opstelling van de Spaanse regering. Ze zeggen dat Spanje de uitbreiding van de EU dreigt te vertragen. Piqué reageert slechts met een vriendelijk advies: doe wat Spanje vraagt en er is niets aan de hand.

Spanje heeft in de Europese Unie een grote reputatie als dwarsligger. Wanneer een Spaanse regering geld wil hebben, dreigt zij de besluitvorming te laten vastlopen als zij haar zin niet krijgt. ,,Chantage!' heet het in Brussel. Maar Spanje heeft met deze methode eerder succes behaald. En Europa krijgt een koekje van eigen deeg meent een Spaanse diplomaat, die zich herinnert hoe hard de Brusselse onderhandelaars zich opstelden voordat Spanje in 1986 lid werd van de Unie.

Felipe Gonzalez, de vroegere Spaanse socialistische premier, dreigde in 1992 tijdens de top van de Europese regeringsleiders in Edinburgh met een veto als Spanje geen extra geld zou krijgen. Zijn opvolger, de conservatief José-Maria Aznar, probeerde tijdens de top van Amsterdam in 1997 (tevergeefs) hetzelfde door op het laatste ogenblik met een veto te dreigen als zijn land niet de toezegging kreeg dat het binnen de EU even zwaar zou gaan tellen als Duitsland en Frankrijk.

Ook in december in Nice stelde Aznar zich hard op. Spanje mag er als gevolg van de uitbreiding financieel niet op achteruit gaan. Het land ontvangt voor de periode 2000 tot 2006 43 miljard euro Europese steun voor achtergebleven gebieden. Die hulp wil Aznar zo lang mogelijk na 2006 op peil houden. Maar wanneer landen als Polen en Slowakije straks lid worden van de EU, is Spanje ineens relatief rijk en dreigt het land Europese hulp te gaan verliezen.

Daarom bedong Aznar dat Spanje na 2006 een veto kan blijven uitspreken over de verdeling van de Europese hulp voor armere regio's. Hij overzag echter niet de gevolgen van zijn actie. Want omgekeerd kan tegen die tijd ook EU-lid Polen een veto gebruiken om te voorkomen dat hulp voor Spanje ten koste gaat van de nieuwe lidstaten.

De Spaanse minister Piqué heeft de Europese regionale steun opnieuw aan de orde gesteld bij onderhandelingen over een overgangstermijn voor de toelating van werknemers uit toekomstige lidstaten. Duitsland en Oostenrijk willen tot zeven jaar na de uitbreiding werknemers uit nieuwe landen kunnen weren. Mij best, redeneert Piqué, als Spanje (gesteund door Portugal en Griekenland), maar een garantie krijgt dat de EU-hulp voor de Zuid-Europese landen op langere termijn op het huidige peil blijft.

Onzin, is de reactie van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Joschka Fischer. Vrij verkeer van werknemers heeft niets met hulp voor armere regio's te maken. De Franse minister van Buitenlandse Zaken, Hubert Védrine, had aanvankelijk begrip voor de Spaanse koppeling, maar is het sinds de Frans-Duitse top van eind vorige week met Fischer eens.

De Spaanse houding dreigt een doos van Pandora te openen. Jozias van Aartsen, de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, heeft gezegd Nederlandse eisen over de toekomstige financiering van de EU op tafel te zullen leggen als bij de onderhandelingen over de EU-uitbreiding aan de Spaanse wens van koppeling wordt voldaan. Nederland wil na 2006, als de huidige afspraken over financiering van de EU zijn afgelopen, niet méér aan Brussel gaan betalen. Nederlandse diplomaten hebben geprobeerd om premier Wim Kok duidelijk te maken dat het ondenkbaar is dat de EU nieuwe lidstaten opneemt zonder dat daar voor landen als Nederland en Duitsland na 2006 een prijskaartje van miljarden aanhangt. Volgens Kok worden de financiële problemen na de uitbreiding van de EU vanzelf opgelost.