Na 61 jaar

De dag die historisch bekeken de beste aanspraken heeft om als herdenkingsdatum te dienen is 10 mei 1940, omdat toen, na meer dan een eeuw angstvallig bewaarde neutraliteit Nederland weer in de grote wereld terecht kwam, onvoorbereid en bij verrassing. Maar nederlagen worden niet herdacht; die worden verdrongen. De avond van de vierde mei is de herdenking. Het is niet verstandig daaraan te gaan morrelen omdat `de nieuwe generaties steeds minder boodschap aan de oorlog hebben'. Regelmatig wordt de jeugd op haar kennis van de oorlog onderzocht. Die wordt steeds minder, omdat de docenten ook al van de generaties zijn die niet meer uit eigen ervaring kunnen putten. De dit jaar gehouden enquête heeft opnieuw onthullingen gebracht. Een collaborateur, zei één op de vier ondervraagde kinderen, is iemand uit het verzet. Hier wordt onwetendheid ontwapenend. Maar dat is geen reden om die twee minuten stilte ook nog vol te tetteren.

In deze krant van 11 mei staat een tot essay uitgebouwde boekbespreking, geschreven door Paul Scheffer, over Gert Ledigs roman Vergelding. Dat boek, over het bombardement op een niet met name genoemde Duitse stad, werd bij het verschijnen in 1956 door de kritiek neergesabeld. Nu is een herdruk verschenen en een Nederlandse vertaling. Ledig heeft geprobeerd door een opeenhoping van beschrijvingen een totaalbeeld van de helse chaos te maken, om zodoende de lezer te laten beseffen dat een groot bombardement altijd eindigt in moordende willekeur. Tijdens de oorlog werden de luchtaanvallen op Duitse steden met militaire en morele argumenten gerechtvaardigd (vernietiging van de industrie, het stichten van chaos achter het front, en het oog om oog, tand om tand van de vergelding). In 1956 was, schrijft Scheffer, het publiek kennelijk niet rijp voor een andere benadering. Daarna begon de twijfel. In de wetenschappelijke literatuur (één voorbeeld: Stephen A.Garret, Ethics and Airpower in World War II) en de romankunst (Harry Mulisch, Kurt Vonnegut) is de verwoesting van Dresden in de nacht van 13 op 14 februari een voorbeeld van high-tech vandalisme.

Ik ben het ermee eens. Ik zou dit stukje niet hebben geschreven als niet het essay van Paul Scheffer juist in deze meidagen was geschreven. Maar toevallig is het vandaag 61 jaar en twee dagen geleden dat de oude binnenstad van Rotterdam werd verwoest. Daarom heb ik er Lou de Jong op nageslagen, Geschiedenis van het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, Deel 3, Mei '40. Daarin wordt van pagina 370 tot 400 nauwkeurig gereconstrueerd wat aan het bombardement van de 14de voorafgegaan is en welk effect het heeft gehad.

Het begint met het bevel van generaal von Küchler aan zijn onmiddellijke ondergeschikte, generaal Schmidt. Als het verzet in Rotterdam niet wordt gebroken `ist nötigenfalls Vernichtung der Stadt anzudrohen und durchzuführen'. Er werden verscheidene aanvalsplannen gemaakt, waarbij het steeds duidelijker werd dat een bombardement alleen een terroristische functie zou hebben. Op de kade van de Holland Amerika Lijn, aan de zuidoever van de Maas, zei 's ochtends een Duitse officier tegen een functionaris van die maatschappij: `Sehen Sie das noch mal an, heutmittag steht nichts mehr davon'. Intussen hadden de Duitsers hun ultimatum gesteld. Werd het verzet niet gestaakt, dan kon dit `volledige vernieling van de stad ten gevolge hebben'. Aan Nederlandse kant ontstond verwarring over de vraag of de Duitse eis met bedreiging volledig au serieux moest worden genomen. De Duitsers verleenden respijt en stuurden een nieuwe versie, die geen misverstand meer kon wekken. Maar intussen waren de bommenwerpers opgestegen. Om kwart over één kwamen de eerste eskaders in zicht. Generaal Schmidt begreep dat zijn bevel om de aanval uit te stellen, niet was aangekomen. Hij riep: `Um Gotteswillen! Das gibt eine Katastrofe! Was wird jetzt geschehen? Das wird ein zweites Warschau!'

De generaal had gelijk. Na vier dagen oorlog was de luchtverdediging vrijwel uitgeschakeld. De bommenwerpers vlogen laag en langzaam. De bemanning kon ongehinderd, met voorbedachte nauwkeurigheid en grondigheid haar werk doen. Een misdaad zonder weerga. Het aantal doden kan alleen worden geschat: om en nabij de 900. Er werden 24.000 woningen verwoest, 2.500 winkels, 1.200 fabrieken en fabriekjes, 500 cafés en 70 scholen, en 80.000 mensen werden dakloos.

Ter herinnering aan dat vandalisme staat aan het einde van de Leuvehaven het beeld van Ossip Zadkine, Verwoeste Stad. Een monument dat na de onthulling door menig Rotterdammer met gepaste reserve is begroet. Het is beter geworden naarmate het er langer heeft gestaan, en het heeft gelukkig geen ludieke bijnaam gekregen. Op 14 mei ben ik er gaan kijken. Uit nieuwsgierigheid en omdat ik in de buurt was. Geen jaarlijkse herdenking, geen stille tocht, geen bloemen, het leven daar ging gewoon door.

Er is geen gebrek aan literatuur over het bombardement. De reeks van getuigenverklaringen, dagboeken, memoires, fotoboeken is praktisch onafzienbaar. De hoofddaders zijn in Neurenberg aan het woord gekomen. Maar van de kleine uitvoerders, de piloten, de bommenrichters, andere leden van de bemanning, de directe daders weten we heel weinig. Aan de kant van de overwinnaars verdiept men zich in zelfonderzoek. We proberen ons het beeld van de oorlog voor de geest te halen, nu objectief. Was de verwoesting van Dresden, Hamburg, enz. gerechtvaardigd? Alleen al door de vraag krijgen de steden de erkenning waar ze recht op hebben. De bevelvoerende verwoesters van Rotterdam en Coventry hebben hun straf gekregen. Daarmee is dit vandalisme door de geschiedenis veroordeeld en geabsorbeerd. Niemand heeft er een meesterwerk over geschreven. Geen Grass, Böll, Handke. Geen bestseller. Er is geen speciale herdenking.

Maar we hebben de zakelijke reconstructie die Lou de Jong in een paar pagina's heeft gegeven, het drama van een stad in de laatste uren voor haar executie. Misschien is die samenvatting ook wel voldoende. Er ontbreekt iets, maar spaar ons het tot evenement opgekookte drama. Beschouw dit stukje als mijn eenmalige, min of meer toevallige herdenking in het openbaar.