Dijkstal valt onterecht uit naar christelijke partijen

Dijkstals vergelijking tussen de opvattingen van christelijke partijen over euthanasie en die van imams over homoseksualiteit is er een tussen appels en peren, vindt Jan Kees Hordijk.

Fractievoorzitter Hans Dijkstal stelde op een VVD-bijeenkomst de houding van de christelijke politieke partijen in het recente euthanasiedebat op één lijn met de opvattingen van een aantal imams over homoseksualiteit. Volgens Dijkstal stellen beide groepen gelovigen zich onverdraagzaam op. Onverdraagzaamheid is een ander woord voor intolerantie. De uitspraak van Dijkstal roept mijns inziens de vraag op of hij wel precies weet wat (in)tolerantie is. Wellicht heeft hij met opzet de term `onverdraagzaam' gebruikt, om achteraf niet van intolerantie te kunnen worden beticht (hoe achterdochtig mag ik zijn ten aanzien van een politicus), maar voorshands ga ik er van uit dat ook voor Dijkstal tolerantie en verdraagzaamheid synoniem zijn.

Tolerantie is het toelaten van iets waarmee men het fundamenteel oneens is. Volgens sommige (politiek-)filosofen moet hieraan worden toegevoegd dat degene die iets toelaat wat hij verafschuwt, ook in staat moet zijn om datgene te verbieden of tegen te houden. Deze toevoeging is echter niet geheel onomstreden.

Tolerantie wordt in het algemeen in onze samenleving als een deugd gezien. We zijn er trots op dat wij in Nederland zo tolerant zijn. Door sommige buitenlanden wordt Nederland vaak juist beschouwd als een land dat te tolerant is, een land van anything goes. Ook wordt tolerantie nogal eens verward met gedogen, dat echter van een andere orde is.

In de hierboven weergegeven opvatting dat Nederland een tolerant land is, wordt tolerantie beschouwd als een autonome grootheid: ik ben tolerant en jij niet. Tolerantie kan echter niet op zichzelf staan. Tolerantie heeft altijd betrekking op een concrete zaak. Ouders kunnen bijvoorbeeld tolerant zijn ten aanzien van hun rokende kinderen. Ze kunnen hun kinderen voorhouden dat roken slecht is voor de gezondheid en dat hun kinderen daarom niet mogen roken, maar als hun kinderen dat toch doen ze daarvoor niet straffen. Deze ouders kunnen echter intolerant zijn ten aanzien van hun stelende kinderen. In dat geval zullen zij, als zij er achter komen dat hun kind steelt, het kind straffen en proberen te voorkomen dat het in herhaling van dat niet te tolereren gedrag vervalt. In sommige gevallen is het dus zonder meer prijzenswaardig als mensen intolerant zijn.

Wanneer wordt gekeken naar de opstelling van de christelijke partijen in het euthanasiedebat dan zie ik niet in hoe deze partijen zich onverdraagzaam zouden hebben opgesteld. Het is het goed recht van politieke partijen om over zaken anders te denken dan andere politieke partijen. Sterker nog, dit is het hart van een volwassen democratie: in het politieke debat behoren allerlei meningen en opvattingen gehoord en dus gearticuleerd te worden. Bovendien hebben partijen geen morele plicht mee te denken in een richting die zij fundamenteel afwijzen. Uiteraard zijn er ook in het politieke debat grenzen aan wat toelaatbaar is. De buitengewoon kwetsende uitlatingen van RPF-senator Schuurman, die het euthanasiewetsvoorstel vergeleek met nazipraktijken, overschreed die grenzen. Maar Dijkstal moet deze uitspraak niet als weergave zien van de opvattingen van alle christelijke partijen inzake euthanasie, zeker niet daar hij ook het CDA tot de christelijke partijen rekent.

Indien Dijkstal zou constateren dat de christelijke partijen geen of te weinig oog hebben voor de realiteit dat er een maatschappelijke behoefte bestaat aan een regeling die erin voorziet dat er soms op een humane wijze, onder strikte voorwaarden, een einde aan een mensenleven gemaakt mag worden, is dat op zich juist. Maar dat betekent niet dat die politieke partijen intolerant zijn, hooguit kortzichtig of onbuigzaam. Dat hij zich aan zo'n houding ergert, is Dijkstals goed recht, maar doet niet ter zake. Ook de houding van de VVD blinkt niet altijd uit in een juiste taxatie van de (maatschappelijke) werkelijkheid, zoals nogal eens blijkt in discussies over de WAO of het asielbeleid.

De vergelijking tussen de door Dijkstal gelaakte opstelling van de christelijke partijen en de opvattingen van een aantal imams over homoseksualiteit is er dan ook een tussen appels en peren. Die opstelling, respectievelijk opvattingen passen zeker niet `in één kader'. De imams maken namelijk geen taxatiefout van een maatschappelijke realiteit, maar wijzen iets af wat in de Nederlandse samenleving breed aanvaard is. Hun kan terecht het verwijt van intolerantie jegens homoseksuelen gemaakt worden en de vraag is of wij dat in Nederland aanvaardbaar vinden.

Niet voor niets begint de Grondwet met een antidiscriminatie-artikel. Iedereen is in Nederland gelijk, niemand mag achtergesteld, gecriminaliseerd of gemarginaliseerd worden wegens zijn godsdienst, huidskleur of seksuele geaardheid. De tolerantievraag die nu aan de orde is, is: mogen de imams op grond van hun geloof – waarvan het vrije belijden is gegarandeerd in artikel 1 van de Grondwet – deze uitspraken doen over homoseksuelen, wier rechten in datzelfde grondwetsartikel worden gegarandeerd? In de wetenschap dat geen vrijheid of recht onbegrensd is, maar dat het ene (grond)recht soms het andere inperkt, zal van de twee botsende grondrechten die hier in het geding zijn één moeten prevaleren. Het gevolg is dat ten aanzien van de ene of de andere groep intolerant gehandeld zal worden. De keuze die hier gemaakt moet worden, kan alleen gebaseerd zijn op door ons als samenleving (of in ieder geval een zo groot mogelijke meerderheid daarvan) gedragen waarden en normen. Daarbij is het niet de vraag of wij tolerant willen zijn of niet, maar: ten aanzien van wie of wat zijn wij tolerant?

Waarschijnlijk zonder het zelf door te hebben heeft Dijkstal zich – gelukkig – in deze kwestie al intolerant betoond: de uitspraken van de imams zijn in ons land niet te accepteren en moeten dan ook bestreden worden. Ergernis over de houding van bepaalde politieke partijen behoort echter buiten de tolerantiediscussie te blijven.

Dr. J.C. Hordijk is politicoloog en is gepromoveerd op het gebruik van levensbeschouwelijke argumenten in het politieke debat.

    • Jan Kees Hordijk