Gouden tijden voor roekeloos lenen

Inflatie is de afgelopen twintig jaar niet zo hoog geweest. Maar welke consument laat zich leiden door de geldontwaarding?

De spreekwoordelijke boodschappentas met bankbiljetten is nog niet nodig voor een handvol producten, maar de consument wordt inmiddels dagelijks met de snel oplopende inflatie geconfronteerd.

De teller van de benzinepomp ratelt op dit moment indrukwekkend: in het eerste kwartaal werden de autobrandstoffen 8,5 procent duurder. De supermarkt kent een sluipende stijging van het boodschappenmandje – met vlees (plus 12,9 procent) en vis (plus 14,1 procent) als uitschieters. Er zijn maar een paar producten die de eerste drie maanden van dit jaar in prijs daalden. Koffie met 0,4 procent en telecommunicatie met 2,1 procent.

De Nederlandse inflatie is de 5 procent genaderd. ,,Inflatie is niets anders dan de gemiddelde prijsontwikkeling van een standaard consumptiepakket. Afhankelijk van je leefpatroon, voel je de effecten meer of minder sterk'', licht P. Kooreman, hoogleraar micro-economie aan de Rijksuniversiteit Groningen toe. De verschillen kunnen snel oplopen. De koffiedrinkende notoire beller krijgt nu meer waar voor zijn gulden, terwijl de Volendamse visboer – rijdend van markt naar markt – de kosten extreem ziet stijgen.

Een belangrijke motor van de gemiddelde inflatie komt uit Den Haag. De ingrijpende belastingherziening van Paars II heeft een ecotax gebracht en een hoger BTW-tarief. President N. Wellink van De Nederlandsche Bank waarschuwde twee jaar geleden voor de prijsstijgingen die het nieuwe belastingregime met zich meebrengt. Minister G. Zalm (Financiën) begreep Wellinks zorgen. ,,Hij is allergisch voor inflatie, maar ik deel zijn zorg niet. De burger kijkt vooral naar zijn koopkracht. De prijzen stijgen, daar staat een belastingverlaging tegenover. Er is geen reden om hogere looneisen te stellen.''

Pijnlijk voor het kabinet-Kok is dat gezinnen met een laag inkomen sinds begin dit jaar een hogere inflatie ervaren dan gemiddeld. Dat is af te lezen uit het `afgeleide'-inflatiecijfer, waar prijsverhogingen door de overheid zijn weggelaten. Het is dit cijfer dat door vakbonden in de regel wordt gebruikt als leidraad bij de CAO-onderhandelingen. Momenteel lijken de lonen over een brede linie mee te stijgen met de inflatie. Dat zorgt ervoor dat de meeste Nederlanders nauwelijks koopkracht verliezen door de geldontwaarding.

Dat betekent gouden tijden voor de schuldenaars. Doordat de kosten van leningen veelal lager liggen dan de inflatie, worden rentelasten negatief. Het kapitaal verliest sneller zijn waarde dan de kosten om het te lenen. Voor de consument betekent dat: beter vandaag uitgeven dan morgen.

Vooral de huiseigenaren profiteren. Door de hypotheekrente-aftrek betaalt de belastingdienst 40 à 50 procent van de hypotheeklasten mee. Een lening tegen 7 procent vertaalt zich in een slordige 4 procent nettolasten. De inflatie maakt die lasten negatief.

Lenen lonkt. De consument handelt er nog niet naar. Bij het Bureau Kredietregistratie in Tiel is het niet drukker dan anders. ,,We zien gewoon de seizoenspatronen in de aanvraag van leningen'', meldt een woordvoerder. ,,We hebben net rond Pasen weer de gebruikelijke piek gehad. Dan is het altijd druk op de meubelboulevards en stromen de aanvragen voor leningen binnen.''

De verliezers zijn de spaarders en vermogenden. Zij moeten sinds 1 januari 1,2 procent over hun bezit afdragen aan de fiscus, ongeacht hun rendement. De inflatie snoept er nog eens een kleine 5 procent vanaf. Op die manier ziet de bemiddelde zelfs bij een rendement van 6 procent de waarde van zijn vermogen afnemen. Maar de meeste beleggers lijden momenteel verlies. Zij gaan dit jaar op een geslonken vermogen meer belasting betalen.