Eenwording Europa is zwaar bevochten

De pioniers van Europa konden een halve eeuw geleden niet bevroeden waar de Europese Unie nu voor staat: het opnemen van voormalige lidstaten van het toen zo bedreigende Warschaupact. Het is nu geboden kanselier Schröders Europa-initiatief serieus te nemen en de discussie daarover in goede banen te leiden, meent E.P. Wellenstein.

De Franse minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman, deed op 9 mei 1950 – nu 51 jaar geleden – zijn revolutionaire voorstel om de West-Europese zware industrie onder één gemeenschappelijke autoriteit te plaatsen. Nederland was hier helemaal niet op verdacht – niemand in West-Europa trouwens, behalve de kersverse Duitse bondskanselier Adenauer, die door de Fransen vooraf in vertrouwen genomen was.

Nederland had nog geen zes maanden eerder de soevereiniteit aan Indonesië overgedragen. De leuze `Indië verloren, rampspoed geboren' klonk nog na. Maar intussen was de regering druk doende met het opbouwen van een nieuwe welvaartsbasis via industrialisatie en de Europese markt. Die markt was, dankzij de Marshallhulp, geleidelijk aan bevrijd uit het keurslijf van bilaterale handels- en betalingsakkoorden, gestimuleerd door de Amerikanen.

Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken, D.U. Stikker, had veel energie gestoken in het verder pousseren van die liberalisatie in het kader van de OEES, de voorloper van de tegenwoordige OESO. Dat proces stagneerde echter toen men trachtte iets aan verlaging van de douanerechten te doen. Ook pogingen in kleinere kring, de Benelux plus Frankrijk en Italië, heel kleurrijk `Fritalux' genoemd, liepen vast, vooral omdat het Benelux-streven om daar het Duitse achterland bij te betrekken op afwijzing stuitte.

De doorbraak kwam uit voor Nederland geheel onverwachte hoek: niet door Brits leiderschap, zoals de toenmalige politiek elite steeds had gehoopt, maar door het Franse initiatief. Het was ook voor het eerst dat een Europese mogendheid de toon zette, en niet de Amerikanen, die overigens de Franse beleidswending volop steunden. Een wending van 180 graden, van streven naar dominantie, net als na de Eerste Wereldoorlog, van de gevaarlijke oosterbuur, tot verzoening en gezamenlijkheid, en mede daardoor met Frankrijk in een politieke leidersrol. Een rol die in het toenmalige West-Europa voor het Verenigd Koninkrijk voor het grijpen had gelegen, maar die het trotse Albion toen nog beneden zijn stand achtte. Zoals de Amerikaan Dean Acheson het in die jaren formuleerde: Groot-Brittannië had een imperium verloren, en zocht een nieuwe rol – echter zonder die te vinden. Ook Nederland had een imperium verloren en zocht een nieuwe plaats in de wereld.

Gezamenlijke economische ontwikkeling in West-Europa, met de nieuwe Bondsrepubliek als gelijkwaardige partner, daar had Nederland geen probleem mee; maar het was ons lief geweest als dat niet beperkt was gebleven tot uitsluitend continentale partners. De Benelux-vrienden hadden daar echter minder of geen moeite mee en zo stortten wij ons gezamenlijk in het avontuur van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS). Wij slaagden er zelfs in aan de aanvankelijke door Frankrijk voorgestelde institutionele opzet een vierde instelling toe te voegen: de Raad van Ministers, zij het in het kader van de EGKS in een veel bescheidener rol dan tegenwoordig in de EU. Zo werd Nederland, zonder het te beseffen, een van de founding fathers van de latere Europese Gemeenschap, met een politieke invloed zoals wij die later nooit meer zouden hebben. Maar nog lang bleef de Nederlandse filosofie, dat deze constellatie van het Europa van de Zes wel geschikt was voor economische integratie, doch niet als politiek forum. Niettemin bleek dit forum na de jaren vijftig als een magneet te werken en zo is Nederland nu een van de vijftien leden van een Unie met duidelijke politieke ambities.

Toen ik eind 1952 besloot het ministerie van Buitenlandse Zaken te verlaten om mij bij de Gideonsbende rondom Jean Monnet in Luxemburg te voegen, werd ik door velen uitgeluid met een vriendelijke en welwillende, maar toch uitgesproken scepsis. Ook was mijn overgang naar de Hoge Autoriteit van de EGKS geenszins het resultaat van doelbewust Nederlands personeelsbeleid: zulk beleid was er helemaal niet. Kohnstamm was mij voorgegaan en rondom onze landgenoot Spierenburg, hoofdonderhandelaar van het verdrag tot oprichting van de EGKS en daarna lid van de Hoge Autoriteit, was ook een handvol medewerkers van Economische Zaken naar Luxemburg gekomen. Dat wij ons daar als jonge idealisten bezighielden met federale blauwdrukken is een misvatting: het dagelijks werk betrof problemen als tariefstellingen bij de spoorwegen, indirecte belastingheffing aan de binnengrenzen en de organisatie van de handel in schroot, oud ijzer van sloopbedrijven. Geen zaken dus waar heiligenkransjes bij passen.

Hoe overtuigd wij ook waren dat Nederland op deze nieuwe, revolutionaire weg een koers had gevonden die ons en onze omgeving politieke stabiliteit, hervonden welvaart en een vaste plaats aan tafel in het concert der naties zou brengen – in onze stoutste dromen hadden wij de uitdagingen niet kunnen bevroeden, waar de Europese Unie thans voor staat. Namelijk om voormalige leden van het toen zo bedreigende Warschaupact in de Unie te integreren en aan de verworvenheden deel te laten hebben.

In Nice zijn vorig jaar op die uitdaging antwoorden gezocht – en gedeeltelijk gevonden – op het vlak van de politieke rekenkunde: aantallen stemmen, aantallen zetels, enzovoorts. Maar dat laat een grote lacune op het vlak van de politieke bestuurkunde, met name wat betreft transparantie en legitimiteit van het Europese bestuursproces. In Nice is afgesproken dat daarover in 2004 spijkers met koppen geslagen moeten worden. De discussie komt langzaam op gang, niet iedereen heeft er zin in, maar onze zuider- en oosterburen zijn al zeer actief. Het spectaculaire inititiatief van bondskanselier Schröder omvat vele beleidsvoorstellen, constructieve maar ook bepaald bedenkelijke, bijvoorbeeld om aan regionale autoriteiten zoveel beleidsruimte te geven dat de concurrentieverhoudingen er ernstig door verstoord zouden kunnen worden.

Op een kardinaal punt heeft hij echter een keuze gemaakt die helemaal spoort met wat steeds terecht een vast uitgangspunt van het Nederlandse beleid is gebleven: een centrale en sterke plaats voor de Europese Commissie in het Europese bouwwerk. Want in een Unie die steeds verder naar intergouvernementalisme afglijdt, met steeds meer leden, dreigt een land als Nederland, of wij onszelf nu middelgroot noemen of niet, zijn plaats aan de hoofdtafel kwijt te raken.

Schröder is overigens vaak onjuist geciteerd: hij spreekt niet van de Europese Commissie als `regering', en heeft ook de term `Senaat' niet gebruikt. Hij heeft de verdienste de broodnodige discussie met concrete ideeën te hebben aangezwengeld. Het is nu aan de huidige generatie deze discussie in goede banen te leiden. Wat nu in Europa zo vanzelfsprekend lijkt, is in het verleden met veel doorzettingsvermogen bevochten. Dat zal in de volgende fase ongetwijfeld zo blijven.

E.P. Wellenstein is voormalig secretaris-generaal van de Hoge Autoriteit van de EGKS en voormalig directeur-generaal bij de Europese Gemeenschappen. Bovenstaande tekst is de bewerkte vorm van de toespraak die hij vanmiddag hield bij de presentatie van het boek `Voor Nederland en Europa'.