Beleid antennes verzandt in goede bedoelingen

De plaatsing van antennes voor mobiele telefonie is een heet hangijzer. De overheid moet nog knopen doorhakken op cruciale punten als gezondheid en plaatsingscriteria.

Lastig. Nederlanders willen wel meer mobiel bellen, maar het zenderpark dat hiervoor nodig is liever niet uitbreiden. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat heeft in een poging de tegenstelling te overbruggen, het afgelopen jaar een antennebeleid ontwikkeld. Daarover is gisteren in de Tweede Kamer in commissieverband gedebatteerd.

Aan goede bedoelingen ontbreekt het de regering niet. Ze probeert met haar beleid ie-der-een blij te maken: de telecomaanbieders die snel en gemakkelijk antennes willen bouwen, de gemeenten die willen bepalen waar de antennes komen te staan en milieuorganisaties die bezorgd zijn over de straling die van de antennes af komt.

Dat streven naar draagvlak gaat heel ver. Zo kan de regering inmiddels beschikken over talrijke wetenschappelijke studies uit binnen- en buitenland waarin het stralingsgevaar voor de volksgezondheid op de korte termijn verwaarloosbaar klein wordt geacht. Maar ondanks al die wetenschap durft staatssecretaris De Vries (Verkeer en Waterstaat) nog steeds niet hardop te zeggen dat de volksgezondheid níet in gevaar is. Dat wetenschappelijk uitsluiten is natuurlijk een bijna onmogelijke opgave. De Vries houdt ook rekening met het bestaan van marsmannetjes, zei ze onlangs desgevraagd.

Kamerlid Nicolaï (VVD), partijgenoot van De Vries, drong er gisteren tijdens het debat op aan om het beleid te baseren op het oordeel van de deskundigen. Natuurlijk, burgers met `mogelijke' klachten door antennes mogen niet onder het tapijt worden geveegd. Maar, zo zei Kamerlid Eurlings (CDA), laat dat kleine groepje mensen dat zegt ziek te zijn geworden door straling dan grondig onderzoeken. ,,Doe daar wat mee.'' Daarnaast pleiten de meeste partijen voor een breed opgezet onderzoek naar de langetermijngevolgen van straling.

De Vries en haar ambtgenoot Remkes van Milieu beloofden de Kamer gisteren verder wetenschappelijk onderzoek te zullen financieren. De vraag is wat dat voor zin heeft als de regering in de toekomst niet achter de conclusies van zulke onderzoeken gaat staan.

Intussen is er volop aandacht voor vermeende klachten. Vanaf volgend jaar kunnen grieven zelfs officieel worden gericht aan het nog op te richten Nationaal Antenne Bureau. Er komt een uitgebreide campagne met voorlichting over straling. Hopelijk is de boodschap daarvan wel glashelder. Een vage boodschap (of helemaal geen boodschap) zal de ongerustheid onder de bevolking – voorzover die al bestaat – alleen maar aanwakkeren.

Veel minder nauwkeurig uitgewerkt is het beleid ten aanzien van de vereiste bouwvergunningen voor antennes. De telecomaanbieders willen dat antennes kleiner dan vijf meter vergunningvrij worden verklaard. De regering is het daar mee eens, maar vindt dat de telecombedrijven deze kwestie rechtstreeks moeten oplossen met de vergunningenverleners: de gemeenten. Operators en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) moeten zelf een convenant sluiten, maar de relatie tussen

deze twee partijen is niet opperbest.

Kamerlid Eurlings noemde het onbegrijpelijk dat zulke belangrijke kwesties worden overgelaten aan de grillen van gemeenten en operators, maar De Vries wil geen rekening houden met de mogelijkheid dat het convenant er niet komt. Collega Remkes viel De Vries op dit punt af. Wat hem betreft bestaat er geen twijfel over: als het convenant er niet komt of de invulling ervan de regering niet bevredigt, dan zal het kabinet ,,niet aarzelen om de zaak te regelen in de wetgeving''.

Als het echt nodig is – en veel gemeenten dwars gaan liggen bij de uitvoering van het convenant – dan zal het rijk rechtstreeks zaken doen met de operators. Deze kwestie moet ,,linksom of rechtsom'' worden geregeld, aldus Remkes, die aangaf dat zijn woorden als ,,een aanmoediging'' moeten worden opgevat om tot een convenant te komen.

De regering geeft de voorkeur aan een convenant, omdat zo'n overeenkomst laat zien dat er draagvlak is en sneller in werking kan treden dan wetgeving, waarvoor weer een lange procedurele weg moet worden afgelegd. De vraag is of gemeenten nog willen meewerken aan een convenant als nu al vaststaat dat de regering linksom of rechtsom zaken zal doen met de operators. Zowel Remkes als De Vries heeft torenhoge verwachtingen van het convenant. Dat is begrijpelijk, want zonder convenant is het antennebeleid een lege huls.