Alleen werk leidt in Kosovo tot vrede

Trepca was ooit de economische ruggengraat van Kosovo. Nu is het een wegroestende ruïne – een politiek, economisch en milieuprobleem van de eerste orde.

,,Een buitenlandse investeerder zou zich hier na twee minuten uit de voeten maken. Wij moeten het doen, wij moeten dit weer opstarten, inclusief het wegwerken van de vervuiling,' zegt David Haughton, een Britse deskundige van UNMIK, het VN-bestuur in Kosovo. We lopen over het terrein van de Trepca-zinksmelterij in Mitrovica, de verdeelde stad in Kosovo: de noordelijke helft is in handen van de Kosovo-Serviërs, de zuidelijke in die van de Kosovo-Albanezen. Op de grens, de rivier de Ibar, markeren rollen prikkeldraad, pantserwagens van de vredesmacht KFOR en KFOR-soldaten met machingeweren de Berlijnse Muur van nu.

Trepca was ooit het klassieke socialistische kombinaat: een keten van mijnen in Noord- en Oost-Kosovo leverde lood- en zinkerts aan de smelterijen in Mitrovica, de loodsmelterij in het noorden, de zinksmelterij in het zuiden van de stad. Daar werd met dat erts alles gedaan wat met erts gedaan kan worden, er werd lood en zink gemaakt, maar ook eindprodukten als batterijen, en zelfs juwelen, van het goud en zilver dat in het productieproces vrijkomt. Trepca was Groot, Groter, Grootst, vroeger werd maar vijftig procent van de capaciteit benut, maar was het complex toch verreweg het grootste van de Balkan. Het genereerde tachtig procent van de economie van Kosovo, er werkten 30.000 mensen, Serviërs èn Albanezen voor 1989, uitsluitend Serviërs ná 1989. In augustus vorig jaar sloot UNMIK het complex wegens de gigantische loodverontreiniging.

Als Kosovo economisch weer iets wil gaan worden, moet Trepca worden opgebouwd, vindt UNMIK: iets anders heeft Kosovo economisch niet. Het probleem is alleen hoe deze roestende, vervuilde berg schroot weer tot leven moet worden gewekt. Vast staat, zegt Dana Eyres, een Amerikaanse adviseur van UNMIK die in zijn snelle pak vreemd oogt in deze omgeving van roest, puin, stank, afval en veelkleurige blubber, dat de milieuproblemen het eerst aan de beurt zijn. Op dit moment werken er duizend Serviërs in de loodsmelterij in het noorden en duizend Albanezen in de zinksmelterij in het zuiden, zegt hij: zij onderhouden de installaties, om te voorkomen dat ze het milieu nog verder belasten. Trepca, zegt hij, is volstrekt verouderd: Miloševic heeft er nooit één cent in geïnvesteerd.

Het is een wezensvreemde taak van UNMIK, een VN-bestuursorganisatie, die normaliter geen zakelijke beslissingen neemt of economische activiteit ontplooit. ,,Maar we kunnen niet anders', zegt hij, verwijzend naar wat Haughton zei: zoals Trepca er nu bij ligt, steekt geen enkele investeerder er geld in. UNMIK ziet Trepca als een trede op de trap naar de vrede in Kosovo: ,,Vrede en democratie gaan samen met werk, met banen. Vrede zonder banen is geen vrede. Tachtig procent van de Serviërs en zestig procent van de Albanezen in Kosovo is werkloos. Mensen aan werk helpen is de enige weg naar vrede. Als wij Trepca klaarmaken voor een herstart, kan een investeerder zakelijk besluiten hier te komen.'

Over aanvullende problemen maakt UNMIK zich even geen zorgen. Over de vraag bijvoorbeeld wie eigenaar van het complex is. Formeel is dat een Joegoslavische werkmaatschappij waarin de werknemers op grond van het oude model van het arbeiderszelfbestuur dertig procent bezitten, en Joegoslavische banken de rest. De Serviërs zijn dus eigenaar. Maar anderzijds eisen de Albanezen Trepca op. ,,UNMIK danst om die hete brei heen', zegt Eyres. ,,Iedereen eist Trepca op. Het is belangrijker om aan het werk te gaan.'

Trepca wordt nooit meer zo groot als vroeger, maar ook met twee- tot drieduizend banen – als alles goed gaat – zal het veruit de grootste werkgever van Kosovo zijn, zegt Eyres. We beginnen met het verwerken van oude voorraden, zeventig procent van wat hier ligt is nog te gebruiken, zo verdienen we al wat terug, en daarna gaan we een stapje verder, intussen ruimen we het milieu op, en wie weet, over een half jaar kan misschien de smelterij weer beginnen, zegt hij. ,,Je moet niet denken aan grote investeringen, het is een pomp hier, een ventiel daar.'

Het milieuprobleem is de grootste hoofdpijn, zegt de Britse bioloog John Palmer, UNMIKs milieudeskundige in Mitrovica. ,,De luchtverontreiniging met zware metalen is enigszins gestopt nu het werk gestopt is, maar overal liggen nog bergen afval, en de wind blaast de loodwolken nog altijd in het rond. Oude reservoirs vervuilen bovendien via de regen het grondwater en de Ibar.'

Palmer en Eyres leiden rond op het terrein van de zinksmelterij: bergen zinksulfaat hier, bergen gegloeid erts daar, reusachtige installaties die uitsluitend uit schroot en oud ijzer lijken te bestaan. Men kan eindeloos dwalen in deze roestende ruïne: er komt geen eind aan de installaties en de veelkleurige blubber en de bergen veelkleurig afval. Plassen regenwater in alle kleuren van de regenboog, nu eens groen, dan bruin, of zwart, of oranje, of bloedrood: zinkoxidesulfaat. Tanks met zwavelzuur, tientallen. ,,De leidingen zijn verroest. En er liggen rails naast de tanks, maar we hebben geen treinwagons om dat zwavelzuur te vervoeren. En als we ze wel hadden: het kan nergens heen, want Kosovo is niet aangesloten op het internationale spoorwegnet', zegt Eyres.

Het UNMIK-hoofdkwartier ligt in de `vertrouwenszone' bij de potdichte brug over de Ibar: je ziet uit op prikkeldraad en soldaten aan weerskanten van de brug. Aan de overkant kuiert een Serviër met een hond aan de lijn.

Oliver Ivanovic is de leider van de 17.000 Kosovo-Serviërs van Mitrovica. Hij scheldt een uur lang op de Albanezen en op UNMIK, die zijn taak slecht verricht omdat de Serviërs opgesloten zitten, hij heeft het over uitstel van verkiezingen, over terroristische aanvallen van de Albanezen, over douaneheffingen die niet mogen. Trepca? Trepca interesseert hem niet. Of het weer open gaat hangt af van privé-investeerders, zegt Ivanovic. En verder wil hij slechts kwijt dat men wel moet beseffen dat de Serviërs eigenaar van Trepca zijn.

Woordvoerders van de Albanezen in Zuid-Mitrovica doen voor Ivanovic niet onder: zij schelden op hun beurt een uur lang op de Serviërs en op UNMIK, en nu gaan ook de ngo's naar huis, er is geen werk meer. Trepca? Zij willen er evenmin iets over kwijt, alleen maar dat de fabriek het eigendom is van `de mensen die hier wonen' – de Albanezen – en dat UNMIK wel moet weten dat de Albanezen het recht hebben om te bepalen wie wel en wie niet in Trepca mag investeren – want hoe hoog de werkloosheid ook is, Servische investeringen, nee, die zijn niet welkom in het Mitrovica van nu.

Deel drie van een serie over milieuproblemen op de Balkan. De eerste twee verschenen op 12 en 14 mei.