Afghanen gaat het alleen maar slechter

Na de oorlog kwam de droogte: Afghanen van elke etnische afkomst zijn nu op de vlucht. De Talibaan kan het niet schelen. Hulpverleners kunnen de situatie niet aan.

Schijnbaar emotieloos vertelt de Afghaanse jongen zijn verhaal, maar uit zijn ogen spreekt ontreddering. Zijn vader en zijn oom sneuvelden in de jaren tachtig in de strijd tegen de Sovjet-troepen en daarom moet hij, nog geen zeventien, de kost verdienen voor zijn moeder, zijn twee zussen, een tante en haar drie kleine kinderen.

Elke ochtend vroeg komt een vrachtwagen hem en tientallen lotgenoten ophalen bij het vluchtelingenkamp bij de Pakistaanse stad Peshawar, waar hij woont in een onderkomen van zeil en plastic, om hem naar een van de honderden steenbakkerijen in de buurt te brengen. Daar schept hij, onder de brandende zon, zand en leem, en stookt hij de ovens met takkenbossen, kapotgesneden autobanden en alles wat brandbaar is. Voor 1.000 stenen krijgt hij 110 rupees (nog geen vier gulden); per dag komt hij uit op nog geen 200 rupees, zegt hij.

En nu is deze inkomstenbron weggevallen omdat hij ziek is. Zwijgend heeft hij zich gevoegd in de lange rij wachtenden voor de groene legertent in het kamp Jalozai waar een kliniek van Artsen Zonder Grenzen is ondergebracht. Een 20-jarige vrouw is vóór hem aan de beurt. Haar kind ligt slap in haar armen. ,,Ondervoeding'', zegt de Afghaanse arts. Haar baby stierf onderweg, toen ze de grens overstak op weg naar Jalozai, vertelt ze.

Ook de jongen heeft koorts, zegt de arts: dysenterie. Hij maakt zich zorgen over de situatie in het kamp. ,,Vannacht zijn acht mensen gestorven. Dit is de slechtste dag tot dusver.''

De jongen die niet naar zijn werk kan woont met 50.000 andere vluchtelingen onder erbarmelijke omstandigheden in Jalozai, 30 kilometer buiten Peshawar, in het noordwesten van Pakistan in het grensgebied met Afghanistan. Vijf maanden geleden trokken hij en zijn familieleden weg uit de provincie Baghlan. De bron waaruit zij water konden putten om de druiven op hun kleine stukje land te bevloeien, raakte opgedroogd. Bovendien kwam hun dorp in de frontlinie te liggen tussen de Talibaan en troepen van de noordelijke oppositie. Veel inwoners sloegen op de vlucht. Het grootste deel van het 250 kilometer lange traject naar Peshawar konden ze meerijden in overvolle laadbakken van vrachtauto's, maar soms ook moesten ze uren lang te voet. Voor een paar gulden per persoon haalden ze grenswachten ertoe over hen via smokkelpaadjes in de bergen Pakistan binnen te laten.

Volgens medewerkers van de Verenigde Naties en van niet-gouvernementele hulporganisaties is Afghanistan na meer dan 20 jaar oorlogsgeweld opnieuw in de greep van ,,een humanitaire ramp, waarvan we nog maar het begin zien''.

Vervolg Afghanistan: pagina 5

'We hebben zelfs geen gebedsruimte'

Vervolg van pagina 1

Vooral tienduizenden Hazara's, Tadzjieken en Oezbeken uit het noordoosten van Afghanistan vluchten voor de Talibaan, de extreem-fundamentalische moslims die behoren tot de grootste bevolkingsgroep in Afghanistan, de Pathanen. Maar de aanhoudende droogte maakt geen onderscheid naar etnische afkomst – in Afghanistan is ook een enorme vluchtelingenstroom van Pathanen op gang gekomen nu boeren hun vee niet meer kunnen laven en hun akkers en boomgaarden niet meer kunnen bevloeien.

Volgens schattingen van de VN-hulporganisatie UNHCR trokken in 1999 200.000 Afghanen weg uit hun woongebieden. Vorig jaar steeg dat aantal tot meer dan 600.000. Van deze 800.000 vluchtelingen zijn er 200.000 naar Iran gegaan en 200.000 naar Pakistan; de rest leeft in kampen in Afghanistan zelf. Ze zijn afhankelijk van noodhulp van de VN-voedselorganisatie WFP en buitenlandse hulporganisaties – en hun aantallen blijven stijgen.

De 4.600 gezinnen uit Ghor, Badghis en Faryab die zes maanden geleden zijn neergestreken in Shadia, even buiten Herat in het westen van Afghanistan, hebben lemen huisjes gebouwd of wonen in tenten die in lange rijen zijn opgesteld. ,,We hebben in die zes maanden zeven kilo tarwebloem per persoon gekregen van het WFP en negen kilo rijst van een handelaar. De Talibaan hebben ons alleen wat sprokkelhout gegeven. Natuurlijk is dat niet voldoende. Maar er is niets. We hebben gevraagd om een school, maar de regering doet niets'', zegt een van de leiders van het kamp. Een oudere man, met een witte tulband om zijn hoofd gewikkeld, dringt zich naar voren. Hij is een mullah. ,,We hebben zelfs geen gebedsruimte'', klaagt hij, terwijl een jonge, nors ogende Talibaan-strijder met een geweer om zijn schouders zwijgend toekijkt.

De ellende van de vluchtelingen manifesteert zich in gradaties. ,,Of we hulp krijgen?'', reageert een vrouw in een kamp in een buitenwijk van Herat met minachting in haar stem. ,,Kijk naar de vodden die ik aan heb, dan zie je het zelf''. Met een driftig gebaar wijst ze op haar borst. ,,Mijn jongste kind is gestorven omdat ik geen voeding had. We hadden 200 schapen en geiten en nu hebben we niets meer.''

Ook de nieuwkomers in Maslakh, het grootste kamp in de buurt van Herat met meer dan 120.000 vluchtelingen, moeten zich tevreden stellen met onderkomens die zijn gemaakt van stokken waarover wat zeil is gespannen. Hier en daar zijn latrines gebouwd en pompen geslagen. Maar de voorzieningen zijn volstrekt ontoereikend. ,,Het zal nog erger worden als de temperatuur gaat oplopen'', zegt een hulpverlener.

Langs de weg zit een man op zijn hurken: hij kneedt leem om een hutje te bouwen. Twintig meter verderop staat een rij mannen en vrouwen, sommigen met wat bezittingen onder de arm. Zij zijn net aangekomen. Elke dag komen hier een paar duizend nieuwe vluchtelingen bij. ,,We hebben de situatie niet onder controle'', zegt de hulpverlener.

In het okerkleurige steppenlandschap en tegen de bergruggen op de achtergrond tekenen de boomgaarden en tarwevelden rond Herat donkergroen af. Maar de gebieden waar nog water is om de velden te irrigeren, worden steeds kleiner. Afghanistan wordt voor het derde opeenvolgende jaar getroffen door droogte. Boeren moeten steeds dieper graven om bronwater aan te boren, soms wel dertig meter diep. ,,Je kunt nu al het rampscenario voorspellen dat zich aandient'', zegt WFP-woordvoerder Khaled Mansour in Islamabad. ,,Het eerste droogtejaar verkoopt de boer de helft van zijn vee. Het tweede jaar verkoopt hij de rest. Het derde jaar, als de oogst opnieuw mislukt, zijn alle reserves op. Dat is wat er nu gebeurt.''

,,Degenen die de vluchtelingenkampen weten te bereiken, zijn nog de gelukkigen. Vele duizenden zijn te laat en zijn te verzwakt om weg te komen. Ze hebben alles verloren, hun vee is gestorven en hun land verdord. Ze zitten gevangen in hun dorpen'', zegt woordvoerder Yussuf Hassan van de UNHCR. Hulpverleners die afgelegen gebieden in het noordwesten hebben bezocht, kwamen terug met verhalen over uitgeputte bewoners die soms vijf uur moesten lopen om water uit een rivier te bereiken, over dorpen waar de mannen waren weggetrokken in de hoop in Iran wat geld te kunnen verdienen, over ondervoede kinderen en over jonge meisjes die bij gebrek aan voldoende eten tegen een zeer lage bruidsschat worden verkocht.

Hulpverleners doen wat ze kunnen, maar ze kunnen de ontwikkelingen niet bijbenen. ,,De situatie wordt alleen maar slechter'', zeggen de hulpverleners, die klagen over donormoeheid in het Westen en incompetentie en onverschilligheid bij de Talibaan. Het WFP heeft in maart gevraagd om 170.000 ton voedsel voor Afghanistan, hooguit genoeg om de ergste dreiging van hongersnood weg te nemen. Daarvan is 100.000 ton toegezegd, waarvan het leeuwendeel door de VS. Maar nu al is duidelijk dat de gevraagde noodhulp, als ze al op tijd de afgelegen gebieden en de vluchtelingenkampen bereikt, onvoldoende is om erger te voorkomen.

Eerste deel van een korte serie over Afghanistan.