Werpen

Het meest penibel is door die rauwe metropool te moeten rijden. Marseille heb ik altijd beangstigend gevonden. Onoverzichtelijk en lomp. De stad lijkt op een dode olifant die op zijn linkerzij aan het rusten is. Zijn huid even schraal en stoffig als de afgebladderde en gerookte gevels van de huizen langs de boulevards. De poten van het beest weken al eeuwen in het zoute water. Maar van de zee zal ik niet meer dan een glimp opvangen. Ik glijd onder de inerte massa door via tunnels vol gas die het centrum van Marseille aan het oog onttrekken.

Ik had me deze beproeving kunnen besparen. Een zonnig terrasje kunnen opzoeken in een dorp in de Provence. Maar de drang was te sterk. Vlinders in mijn vingertoppen. Voor je geliefde doe je bijna alles. Ook door Marseille rijden.

Eindelijk verdwijnt de muskusgeur van de pachyderm die nu achter mij blijft liggen. De wijk Luminy aan de oostelijke rand van de stad is een soort wederopstanding voor het conglomeraat dode cellen in mijn hoofd dat een reis door Marseille altijd genereert. Tussen de lage heuvels ligt het donkerrood van de atletiekbaan. Als een robijn in een halfgesloten hand. Door de pijnbomen zie ik de kooi. Monsterlijk en uitnodigend tegelijk. De tinteling in mijn vingers zakt naar mijn onderbuik.

Straks zal ik het onbegrip van al die jonge adonissen en gespierde efebes, mijn rivalen in de wedstrijd, moeten trotseren. Hun nieuwsgierige en bijna afkeurende blikken op mijn grijze haardos voelen glijden. Wat doet deze onbekende, overjarige in deze vitale omgeving? Er is ook een tijd om je projectiel aan de wilgen te hangen. Om je twee kilo wegende schijf in een kist op te bergen. Helemaal waar, maar ik kan het na zoveel jaren nog steeds niet.

Ik kan het gevoel dat een klevende discus tegen mijn handpalm geeft niet missen. Mensen lachen als ik zeg dat je als werper op je instrument verliefd moet zijn. Dat de relatie vooral erotisch is. Als je de schijf op je vingertoppen voelt drukken, voel je ook een permanente en onophoudelijke ronding. Iets zeer vrouwelijks.

Ik heb teveel van discussen gehouden om een goede werper te worden. Mijn libertijnse geest moest het hebben van het instant genot. Van speelse verleiding. Niet teveel zware trainingsarbeid, maar onmiddellijk de vruchten van onze relatie plukken. Genieten, werpen tegen de wind, de lucht met kracht forceren en wachten tot de vlucht in een zucht zacht afsterft. Maar daarvoor moet je eerst de kooi penetreren en alles om je heen vergeten. De omliggende details, de hinderlijke stemmen van kwekkende atleten, de geuren en de kleuren van de kunstmatige wereld.

Je stapt in de werpring als anderen in de wellust. Je voelt de korrels van het cement onder je voeten, je betast met je tenen de ijzeren rand van de ring. Om je heen hangen muren van gevlochten touwtjes. Een werpkooi is geen gevangenis, je wordt erin beschermd tegen nare invloeden die van buitenaf komen. Eerst draai je je rug naar de werprichting om de lucht beter en sneller te verrassen. In een explosie te beminnen. De rotatie is kort en hevig. Twee passen om je bloed te centrifugeren. Totdat alle krachten uit je lijf zich in je vingers hebben opgepropt.

Maar hoe draaierig je ook wordt, nooit mag je de voorwaartse stuwing verliezen. Discuswerpen is daarna vooral wachten. Geduld hebben tot het laatste geweld, de ultieme heupinzet. Je drukt in een spasme je bekken tegen de lucht die zich open gaat splijten en smijt kreunend de essentie van je verlangens weg. Zo ver mogelijk. Daarna pas mag je naar onsterfelijkheid snakken. Brullend en buiten adem. Werpen is dierlijk en heerlijk pervers. In de kooi van Marseille werd ik woensdagavond derde.