Slaapstand

Als je 's ochtends om tien uur een taxi belt, komt Satish. Hij is lang en mager en zwijgzaam. Als je 's middags om zes uur een taxi nodig hebt, komt Satish. Als je drie uur 's nachts om een taxi vraagt, komt dezelfde Satish.

Ik vroeg dus aan Satish wanneer hij slaapt. Als hij de kans krijgt, zei hij. Hij is 24 uur in dienst en tussen de ritten door doet hij een tukje. Zo leeft hij al zes jaar, sinds hij uit Kashmir naar Delhi kwam.

Jhumpa Lahiri, die voor haar verhalenbundel `Een Tijdelijk Ongemak' de Pulitzer Prize kreeg, vertelt over een meisje Miranda, dat in Amerika een verhouding heeft met een getrouwde Indiër. Elke zondagmiddag komt hij in zijn trainingspak naar haar toe – aan zijn echtgenote zegt hij namelijk dat hij gaat joggen in het park. Ze eten op bed stukjes stokbrood met zure haring, ze vrijen, en dan doet de Indiër een dutje. Hij sluit zijn ogen en slaapt exact twaalf minuten. Als hij zijn ogen opent, is het alsof hij nooit geslapen heeft. `De beste twaalf minuten van de week', verzucht hij, terwijl hij zijn trainingsbroek aantrekt en de deur uitgaat.

De Franse zendeling en ontdekkingsreiziger Abbé Dubois schreef in 1836 in zijn duizend pagina's tellende verhandeling `Hindu manners, customs and ceremonies': `In tijden van nood, vallen de hindoe's terug op hun wonderbaarlijke lichamelijke gesteldheid. Gewend als ze zijn aan elke vorm van ontbering, houden ze hun lichaam en ziel bijeen met de kleinste hoeveelheid aan voedsel. Bovendien beschikken ze over de waardevolle gave om te slapen wanneer ze dat willen. Een hindoe die even niets te doen heeft gaat steevast slapen. Zo ook de hindoe die honger heeft.'

Je kunt het meer dan anderhalve eeuw later alleen maar eens zijn met Dubois. Als Indiërs wakker worden hebben ze niet eerst een fase van sufheid. Ze hoeven niet bij te komen, ze hoeven zich niet uit te rekken, als ze hun ogen openen gaan ze onmiddellijk aan de slag. Omgekeerd is er ook geen fase van waken naar slapen. Alsof ze lopen en plotseling worden overmand door een onbestrijdbare slaap en zich pardoes moeten neerleggen.

Dat zie je aan de plaatsen die ze uitkiezen om te slapen. Er is een vier meter breed trottoir langs een drukke verkeersweg. Waar gaat de man liggen? Juist, op de rand van het trottoir, liefst met een been op straat. Het verkeer rijdt voorzichtig om dat been heen, want het zou onbeleefd zijn hem te storen.

De trottoirrand is nog veilig. Bij de bouw van een viaduct kan de bouwvakker op een vier meter hoge zuil gaan slapen. Als hij zich keert, maakt hij een smak die hij nooit overleeft, maar hij gaat er van uit dat hij zich in zijn slaap niet beweegt.

Het kan altijd maller: er is een stenen bank bij de bushalte voor één persoon, niet breder dan veertig centimeter. De Indiër gaat erop liggen, met de benen aan de ene kant en schouder en hoofd aan de andere kant bungelend. Alleen zijn rug wordt ondersteund, maar hij slaapt er niet minder lekker om.

De vrachtwagen die op de rijweg staat, niet noodzakelijk aan de kant geparkeerd. Kijk eronder; in negen van de tien gevallen zul je de chauffeur onder zijn vehikel zien slapen.

In een winkel merk je dat de verkoopsters altijd een omweg maken bij een bepaald deel van de toonbank. Als je er overheen kijkt zie je een collega-verkoopster liggen. Mijn dochter krijgt wiskunde bijles van een man die een som opgeeft en in de tijd die ze nodig heeft om die op te lossen, even de ogen sluit en zachtjes snurkt. Als ze klaar is, kucht ze en kijkt hij routinematig de som na.

Het kan komen door de hitte. In Delhi is het momenteel 42 graden, 41 in de schaduw. Dat is nogal afmattend.

Denk niet dat het alleen de armen zijn die toegeven aan hun slaapbehoefte: om twee uur, tijdens de lunchpauze, zijn de parken rond de overheidskantoren bezaaid met slapende ambtenaren. Allemaal keurig gekleed, schoenen, sokken, stropdas, hemd met lange mouwen. Elk park, elke rotonde, elk stuk open terrein is een mogelijke slaapplaats. En als er geen schaduw is, biedt een zakdoek op het gezicht uitkomst.

Maar ook als het koud is zie je ze overal slapen, meestal gehurkt bij een vuurtje. Een man had zich, bij een temperatuur van acht graden, langs de weg netjes toegedekt, met zijn fiets.

Indiërs kennen geen gêne, als het om slapen gaat. Het is een sociale bezigheid: de bestuurders van de driewielige scooterriksha's doen een dutje, zolang ze geen klanten hebben. Maar niet per se in hun eigen riksha: je ziet ze regelmatig met z'n drieën op de achterbank van een van de riksha's, heerlijk uitrusten tegen elkaars schouders.

Het slapen heeft kennelijk niets te maken met privacy. Je hoeft niet alleen te zijn, in een afgesloten, veilige ruimte. Het is een uiting van groot vertrouwen in de omgeving, als je overal durft te gaan liggen. Iemand kan je tas of portemonnee meenemen, een of andere onoplettende gek kan met zijn scooter over je heen rijden, een rondwandelende koe kan zijn hoef in je buik planten of besluiten om vlak in je buurt te urineren, mieren kunnen je als een obstakel in hun tocht zien en zich een weg banen over je gezicht, maar de slapende Indiër heeft er vertrouwen in dat dat allemaal niet gebeurt.

Vrouwen hebben overigens minder vertrouwen in hun omgeving dan mannen. Je ziet zelden een slapende vrouw op het trottoir. Ze slapen liever achter de toonbank, of op een plek waar andere vrouwen zijn die beloven wakker te zullen blijven. Maar ook dan stellen ze geen hoge eisen met betrekking tot het lichamelijk comfort. Zittend, staand, opgekruld in een doos, als de slaaptoestand zich voordoet, kan er geen rekening worden gehouden met de eigen beenderen.

Indiërs, mijmerde mijn zoontje laatst, hebben net als de computer een slaapstand. Als ze zichzelf niet gebruiken, schakelen ze zich even uit.

ramdas@nrc.nl