Iconen

De Bergpolderflat is wat ze noemen een icoon van de moderne bouwkunst. Hij staat in Rotterdam, hij stamt uit 1934 en het was de eerste galerijflat, met lift, voor arbeiders. Architectuurliefhebbers komen van heinde en ver om het wonder te zien: hier brak de nieuwe tijd aan. Glas en staal! Strakke vormen! Licht en lucht in elke woning! Centrale voorzieningen!

In werkelijkheid was de Bergpolderflat een verbeten poging om de werkelijkheid te trotseren. Niet een stukje van de werkelijkheid: bijvoorbeeld dat de meeste arbeiders zelf liever een huis met een tuintje wilden. Nee, een heleboel werkelijkheid, zoals het feit dat een flat met negen verdiepingen duurder was om te maken dan gezellige lage huisjes. Dus moesten de woningen piepklein worden: 48 vierkante meter voor een gezin. In de uitgekiende plattegrondjes was, om nog wat leefruimte over te houden, uitgegaan van opklapbedden voor de ouders. De eenvoudige afwerking leidde tot vreselijke geluidsoverlast. De geplande kinderbewaarplaats ging niet door, en de veelgeprezen gemeenschappelijke wasruimten in de kelder bestonden uit drie hokken met elk een granito bak, een koudwaterkraan en een handmangeltje, waar de bewoners van drie etages hun gezinswas moesten doen, 27 huishoudens per washok. Heet water kon je, gerantsoeneerd, bij de conciërge halen.

Er is nog één flat in het gebouw met de oorspronkelijke indeling. Die is te bezichtigen als deel van de tentoonstelling Thuis in Rotterdam. Wel zitten er nu zonneschermen op de gevel, want met die grote ramen was het op zonnige dagen binnen niet te harden: nog een stukje ontnuchterende werkelijkheid. Ach, de idealen van het modernisme.

Terugblikken op de twintigste eeuw is de bezigheid van de dag. (Velen spreken al ijverig van de `vorige eeuw', alsof ze willen tonen hoe bijdetijds ze zelf zijn.) Van al dat terugblikken gaat dit jaar nogal wat over architectuur en woningbouw, omdat de Woningwet, als een sociale paukenslag, in 1901 de eeuw inluidde. De tentoonstelling Thuis in Rotterdam is een ambitieus geheel, waarbij 24 woningen, verspreid over de stad, kunnen worden bezichtigd. De Bergpolderflat is niet de enige icoon in de collectie. Het zijn er vele, van het charmante tuindorp Vreewijk uit 1916 (lage huisjes) en de arbeiderswijk Kiefhoek (waar ook nog één popperig woninkje anno 1927 is te zien) via de binnenkort te slopen naoorlogse wijk Pendrecht en de befaamde kubussen van Piet Blom, tot spraakmakende projecten uit de laatste jaren.

En vergeet de interieurs niet. Er is een jaren zestig popart-interieur, een immigranten-interieur, er zijn smaakvol-beklemmende Goed Wonen-woningen, en er is het huis van Tante Nel. Deze schippersweduwe koestert in haar benedenwoning op het Noordereiland een bonte verzameling herinneringen en gezellige spullen, bijeengebracht in de loop van een lang (en gefingeerd) leven.

Er is geen betere manier om na te voelen hoe het was om te leven in het vreemde land dat `verleden' heet, dan te ervaren hoe men woonde. Dat is het prachtige van modelwoningen en stijlkamers, de onderdompelingsmethode: zo was het, zo voelde het, en dit waren de eisen die het praktische leven stelde.

In de museumwereld luidt het credo tegenwoordig dat bezoekers niet meer in staat zijn om zich in iets te verdiepen, en niet geïnteresseerd in losse voorwerpen. Ze willen sensaties, sfeer, belevenissen. Dat veronderstelde probleem kan tot de gruwelijkste dingen leiden, blijkens een veelbesproken tentoonstelling over de Middeleeuwen in het Groninger Museum. Herschapen of oorspronkelijke interieurs daarentegen zijn een heel respectabel antwoord. Dat bezoekers er dol op zijn is zeker.

Het eigenaardige van Thuis in Rotterdam blijft, dat de tentoonstelling is verspreid over de hele stad. Vierentwintig woningen, het vergt nogal wat planning, en daarna gehannes met tram, metro of bus. (Fietsen is veruit de leukste oplossing.) Gelukkig blijft alles nog de hele zomer open. En dwalend van woning naar woning, van icoon naar icoon, word je zeker wijzer over de vervlogen eeuw, haar idealen – en en hoe het was om er in te wonen.