De grote brand in Enschede

Het leek alsof een jaar geleden in Enschede met het inferno na de explosie bij SE Fireworks de klok werd teruggezet. Het was namelijk de zoveelste keer dat Enschede door een ramp werd getroffen. Op 20 mei 1750 brandde een kwart van de stad tot op de grond toe af. Een eeuw later, op 7 mei 1862, brak er een brand uit die alle overige in omvang zou overtreffen.

Enschede verkeerde op 7 mei 1862 nog in een feestroes na het bezoek van koning Willem III, een kleine week daarvoor. Erebogen en guirlandes en veel voorjaarsgroen – die de krotwoningen en vervallen gevels aan het zicht moesten onttrekken – zorgden voor een vrolijke aanblik. Rond één uur in de namiddag brak er in de binnenstad brand uit in een achterhuis, dat bewoond werd door de jonge fabrieksarbeider Lodewijk van Voorst. Het door de felle voorjaarszon verdroogde en verdorde groen bood het vuur extra voedsel. Een stevige wind zorgde er voor dat het vuur razendsnel om zich heen kon grijpen. Het waaide zo hard dat later verbrande vrouwenkleren werden teruggevonden in Hardenberg, tien uur gaans van Enschede.

Er werd meteen groot alarm geslagen. De schutterij kwam in actie en de brandspuiten werden tevoorschijn gehaald. Uit naburige gemeenten, zoals Hengelo, Haaksbergen, Delden, Oldenzaal en – ook toen al waren ze van de partij – Gronau, kwamen de spuitgasten `met den meesten spoed' aanrazen, maar ze konden slechts weinig uitrichten. In een mum van tijd waren meer dan 700 huizen, tientallen pakhuizen en stallen, vijf stoomspinnerijen en twee stoomweverijen, het stadhuis, het weeshuis, twee scholen en een hele trits kerkgebouwen aan de vlammenzee ten prooi gevallen. De verwoesting van zowel de hervormde kerk, de doopsgezinde kerk, de rooms-katholieke kerk als de synagoge geeft een goede indruk van de religieuze pluriformiteit van de stad. Als door een wonder vielen er slechts twee dodelijke slachtoffers. Maar liefst 85 procent van de bevolking werd dakloos.

De ramp maakte niet alleen grote indruk in Nederland, ook in de buitenlandse pers kreeg de gebeurtenis aandacht. Aan medeleven was geen gebrek. De commissaris des konings, jonkheer mr. C. Backer, reisde spoorslags naar het rampgebied. De minister van Binnenlandse Zaken, mr. J.R. Thorbecke, bezocht twee dagen na de brand de plek des onheils. ,,Alles is voor overdrijving vatbaar, alleen de voorstelling dezer verwoesting niet'', was zijn eerste verzuchting. Hij zegde hulp toe in de vorm van 400 tenten en 6000 dekens om de slachtoffers, die de eerste nachten onder de blote hemel hadden moeten doorbrengen, enige beschutting te bieden. Het medeleven van de minister ging overigens niet zo ver dat hij voor Sinterklaas speelde: de stad kreeg later een rekening van ƒ20.000 voor de geleverde hulpgoederen gepresenteerd.

De laatste brandhaarden waren nog niet gedoofd of de eerste complottheorieën deden al de ronde. Het gerucht ging dat er sprake was geweest van `brandstichting door een revolutionaire enkeling' als een protest tegen de erbarmelijke sociale omstandigheden in de Twentse textielnijverheid. Als eerste mogelijke verdachte kwam Lodewijk van Voorst in beeld. Immers: in zijn huis aan de Kalanderstraat was de brand ontstaan. De kantonrechter vaardigde een arrestatiebevel tegen hem uit en hij werd naar het huis van bewaring in Almelo overgebracht. Tijdens zijn voorarrest werd hij stevig aan de tand gevoeld, maar wegens gebrek aan bewijs werd hij al snel op vrije voeten gesteld.

De burgemeester Lambertus ten Cate wachtte de nasleep van de ramp niet af en deed het verzoek om hem eervol ontslag te verlenen om het zo mogelijk te maken dat `jeugdiger krachten voor het heil der hem zoo dierbare gemeente kunnen werkzaam zijn'. Het gemeentebestuur maakte van de nood een deugd en kondigde terstond een bouwverbod af om de wederopbouwplannen goed te kunnen uitwerken. Er moest een geheel nieuw Enschede komen met ruime en goed toegankelijke straten.

De bevolking zelf had minder geduld: ondanks het bouwverbod waren er eind juli al 300 woningen in aanbouw. Deze voortvarendheid was mogelijk dankzij doortastend optreden van het gemeentebestuur, dat een lening uitschreef voor de herbouw. Nog een halve eeuw later bedroeg de schuldenlast van deze lening ruim ƒ3 miljoen. Daarnaast werden de door verzekeringsmaatschappijen uitgekeerde bedragen aangewend voor de herbouw. Bij de diverse brandverzekeringsmaatschappijen zat de schrik er goed in toen een eerste raming van de ten laste van de verzekeraars komende schade uitkwam op een bedrag van bijna zeven miljoen gulden. Uiteindelijk bleek het voor hen nog mee te vallen: in Enschede waren veel woningen en bedrijfsgebouwen helemaal niet of onderverzekerd. De negen verzekeringsmaatschappijen keerden samen ƒ3.293.000 uit.

De brand in Enschede legde de verzekeraars overigens geen windeieren. De aandacht voor de laatste grote stadsbrand in Nederland was free publicity voor de brandverzekeraars. Indien het huishoudboekje van de Nederlandse burger het ook maar enigszins toeliet werden enkele dubbeltjes voor een verzekering opzij gelegd.

Een deel van de meevallers voor de verzekeringsmaatschappijen kwam doordat veel documenten verkoolden omdat – aldus een plaatselijke journalist – `brandkassen tegen alles, behalve tegen het vuur, bestand bleken te zijn'.

W. Coster, Bij nacht en ontij. Rampspoed in Overijssel, Zwolle, 1994.