ZIEK VAN VERZIEKTE HOCKEYWERELD

Volgende week beginnen de play-offs van de hockeycompetitie. Zo goed als zeker zonder de topclubs Amsterdam en Bloemendaal, die dit seizoen braken met hun trainer-coach, respectievelijk Ton Wisse (41) en Bert Bunnik (48). Een tweegesprek. ,,Democratie is mooi, maar in de sport is er maar één de baas.''

Soms, heel soms, zou hij de huidige lichting hockeyers eens een dagje willen rondleiden in zijn dagelijkse werkomgeving: het ziekenhuis in Tilburg. Niet om te shockeren, dat niet. Maar: ,,Om die jongens te laten zien hoe bevoorrecht ze in werkelijkheid zijn. Want reken maar dat ze even moeten slikken zodra ze oog in oog staan met een achttienjarige jongen met een hersentumor, die vecht voor zijn leven.''

Sinds 1969 is Bert Bunnik werkzaam in de hockeysport. Eerst als assistent, later als eindverantwoordelijke, van hoofd- en overgangsklasseclubs als Laren, SCHC, Gooische, Pinoké, Amsterdam en, tot voor kort, Bloemendaal. Maar niet eerder maakte de 48-jarige trainer, in het dagelijks leven directeur van een Tilburgs ziekenhuis, zo'n hectische hockeyjaargang mee als het afgelopen seizoen bij Bloemendaal.

Zo hoog liepen de emoties op dat Bunnik vier weken geleden, nadat Bloemendaal de play-offkansen niet langer in eigen hand had, besloot de eer aan zichzelf te houden. ,,Doorgaan had geen zin. Fysiologisch was iedereen in orde, maar de wil om voor elkaar te werken was weg. Er was zoveel gaande dat ik niet langer in staat bleek alles in de hand te houden. Te veel variabelen die ik niet kon beïnvloeden. Het was een mission impossible geworden.''

Zijn collega van Amsterdam, Ton Wisse, had geen keus. Zonder pardon zette het bestuur van de club uit het Wagener-stadion de tweedejaars coach op non-actief, nadat deze niet akkoord ging met een uitbreiding van de technische staf om de kwakkelende ploeg zogenaamd nieuw leven in te blazen. Nog altijd loopt de 41-jarige trainer rood aan zodra zijn ontslag ter sprake komt. ,,Wat ze ook mogen zeggen en denken: ik stond met één poot in de play-offs. Niemand, helemaal niemand, die mij op andere gedachten kan brengen. Sterker nog: als ze me hadden laten zitten, waren de play-offs niet door onze vingers geglipt, dat geef ik je op een briefje.''

Onder Wisses opvolger, `clubdier' Joep Brenninkmeijer, verging het Amsterdam van kwaad tot erger. Na drie opeenvolgende nederlagen behaalde de huisarts uit Amstelveen zondag zijn eerste overwinning, 3-1 tegen SCHC. Maar naar een plaats in de eindronde kan Amsterdam fluiten. Of buurman Pinoké moet morgen, op de laatste speeldag van de reguliere competitie, zo vriendelijk zijn om HGC, de huidige nummer vier van de ranglijst, te verslaan. Terwijl de landskampioen van 1997 zelf nog moet afrekenen met koploper Oranje Zwart.

Van leedvermaak is geen sprake bij Wisse, ook al suggereren de resultaten dat Amsterdam-voorzitter Jons Hensel vlak na Pasen voor zijn beurt heeft gesproken. Wisse, met een stalen gezicht: ,,Die conclusie laat ik graag aan anderen over. Stoten onder de gordel zijn aan mij niet besteed. Feit is dat ik sinds mijn ontslag met nagenoeg alle spelers contact heb gehad, en dat ze één voor één hun verbazing hebben uitgesproken over de gang van zaken. Dat sterkt mij in de gedachte dat ik mezelf niets kwalijk hoef te nemen.''

Toch liet een aantal spelers van Amsterdam twee weken geleden, na de nederlaag tegen HGC (0-2), doorschemeren dat Wisses vaardigheden te wensen overlieten. Zo zouden zijn trainingen weinig tot niets (meer) voorstellen en verspeelde de coach, in tegenstelling tot Bunnik een trainer die leeft van het hockey, zijn krediet door voorafgaand aan het duel tegen HCKZ geen teambespreking te houden. Wisse, furieus: ,,Alleen de gedachte al dat ik geen bespreking zou houden, vind ik te bespottelijk voor woorden. Sterker nog: ik vind het een belediging. Alsof ik één of ander onbenul ben die zijn vak niet verstaat!''

Nee, volgens Wisse is de ware reden van zijn ontslag een schoolvoorbeeld van paniekvoetbal. ,,Topsporters zijn per definitie onzeker. Een seizoen is net een bergetappe: klimmen en dalen. You win some, you lose some. Aan mij de taak om de rust te bewaren, op naar de volgende wedstrijd, daar ben ik voor aangesteld. Maar wat gebeurt? We verliezen en een paar spelers wordt nerveus. In plaats van met z'n allen naar oplossingen te zoeken, krijgt paniek de overhand. Dat is het verhaal.''

Hockey is hockey niet meer, beseft Bunnik. Dat vrijblijvende, gezellige spelletje met bal en stick, waar na de wedstrijd elk dubbeltje in de bierpot verdwijnt. Schertsend: ,,Afgelopen zomer kwam een nieuwe speler (neo-international Karel Klaver, red.) zich bij ons melden. `Hallo, dit is die en die, en dit is zijn zaakwaarnemer', kreeg ik te horen.''

Het gedonder bij Bloemendaal begon vorig voorjaar, na het behalen van de tweede landstitel op rij. Bunnik: ,,We konden niet bevroeden wat de impact zou zijn van het betalen van spelers. Dat is schromelijk onderschat, door alles en iedereen. Om een voorbeeld te geven: vlak voor het vertrek naar Sydney stonden sommigen nog te onderhandelen via hun mobieltje. Vanuit Sydney is over en weer opnieuw veelvuldig contact geweest. In zekere zin leek het alsof de Spelen bijzaak waren.''

Ook terug in Nederland bleek, tot afgrijzen van Bunnik, geld het voornaamste onderwerp van gesprek. ,,Vooral omdat er veel onduidelijkheid was over wie nou precies wat kreeg. `En ik dan?', was een veelgehoorde kreet. Zo van: als zij wat waard zijn, ben ik toch ook wat waard? Met als gevolg dat de verhoudingen, zowel tussen de spelers onderling als tussen spelers en begeleiding, onder druk kwamen te staan en er wantrouwen ontstond.''

Bunnik, bezig aan zijn derde en laatste seizoen bij de familieclub, kon het tij niet keren. Al was het maar omdat hij niet wist wie wat kreeg van het bestuur en/of sponsoren. ,,En dat weet ik tot op de dag van vandaag niet. Jij kan zeggen: dat had je moeten weten. Maar de waarheid is dat ik de rekeningafschriften niet onder ogen kreeg en bovendien lange tijd het gevoel had dat het zo'n vaart niet zou lopen. Ik geloof nog steeds dat die jongens in de eerste plaats hockeyen omdat ze het leuk vinden. Alleen, en dat lijdt geen twijfel: langzamerhand spreekt de portemonnee een woordje mee. Achteraf begrijp ik pas waarom iemand als Erik (international Jazet, red.) zei: mijn vergoeding is een afspiegeling van de waardering voor mijn prestatie.''

Moeiteloos, en zonder veel omhaal van woorden, legt Bunnik de vinger op de zere plek. Schuldbewust: ,,Wij, dat wil zeggen het bestuur, de commissie tophockey en de technische staf, hebben verzuimd het huis van een stevig fundament te voorzien. Zelf heb ik te lang gedacht dat de sporter ten allen tijde door de sport werd gedreven. Bovendien heb ik het gevoel van en voor financiële waardering bij die jongens onderschat. Niet om mezelf vrij te pleiten, maar ik stam natuurlijk uit de tijd dat spelers een stick kado kregen en verder niet zeurden.''

Illustratief voor het verziekte klimaat in het hedendaagse hockey was volgens Bunnik een speciale training in Alkmaar, waar zijn internationals een maand geleden verstek lieten gaan. ,,Terwijl daar vele tientallen kinderen zaten te wachten om de topspelers en hun gouden medaille te bewonderen. Voor mij was dat het laatste duwtje dat ik nodig had om te zeggen: ik stop ermee. Ik kan dat ook makkelijk want ik heb een goede baan die onder alle omstandigheden voorrang heeft.''

Ook Wisse ondervond de hinderlijke gevolgen van de introductie, afgelopen zomer, van een vergoedingssysteem waarbij het bestuur vier `inkomensgroepen' samenstelde op basis van de sportieve staat van dienst van de leden van de selectie. Wisse: ,,Spelers vragen zich constant af: waarom krijgt hij meer dan ik en is die ander nu werkelijk zoveel beter? Ze zijn het nooit eens en zullen het nooit eens worden. Dat leidt tot scheve gezichten. Probleem is dat iedereen wel kan roepen en kan denken dat hockey nu op semi-professionele basis wordt bedreven, maar dat de realiteit leert dat er niets op papier staat. En juist dat maakt een organisatie kwetsbaar.''

Amsterdam en Bloemendaal, beide met vier Sydney-gangers in de gelederen, betaalden, zo wil een veelgehoorde mening, de tol voor de zwaarbevochten, gouden medaille die de ploeg in Australië won. Wisse kent die geluiden. ,,Maar laten we alsjeblieft ophouden over dat zogenaamde `post-olympische syndroom'. Die term kan ik niet meer horen. Zolang je dat blijft roepen, bestaat het. Ik weet dat ze mentaal zwaar vermoeid terugkwamen van een in meerdere opzichten extreem zwaar toernooi. Maar op een gegeven moment hebben ook deze jongens de plicht om de draad van de competitie weer op te pakken. Toch is er nog steeds een aantal – en ik noem geen namen – dat blijft klagen over hoe moe ze wel niet zijn. Dat is, zoveel maanden na dato, onacceptabel.''

Om het gevaar van fysieke en mentale overbelasting tegen te gaan stond Wisse het na de Spelen toe dat zijn internationals om beurten een korte vakantie namen. Begrijpelijk of niet, vraag is hoe die `softe' benadering zich verhoudt met het door de spelers zo vurig gepropageerde professionalisme. Bunnik, grijnzend: ,,Mijn Raad van Toezicht accepteert het niet als ik morgen kom vertellen dat ik `mentaal moe' ben en dringend toe ben aan vakantie. Dan zeggen ze, volkomen terecht: daar hebben we je niet voor aangenomen.''

Spijt heeft Bunnik slechts van het feit dat hij, na overleg met assistent Cees-Jan Diepeveen, zijn spelers meer inspraak gunde. ,,Ik had veel strakker de touwtjes in handen moeten houden. Na twee jaar op rij kampioen van Nederland te zijn geworden, gaven de spelers vrijwel unaniem aan toe te zijn aan meer eigen verantwoordelijkheid. Cees-Jan en ik hebben dat toegestaan, en dat hebben we geweten. Want sommige spelers moeten tegen hun vriendje, of erger nog, tegen hun huisgenoot, zeggen dat de coach eigenlijk gelijk heeft dat die niet speelt. Dat kunnen ze dus niet. Daarom zeg ik: democratie is mooi, maar in de sport is er maar één de baas.''

Wisse op zijn beurt kijkt zonder blikken of blozen in de spiegel. ,,Spijt? Nee. Had ik bepaalde zaken anders moeten aanpakken? Ja, maar dat had ik ook gezegd als ik niet op non-actief was gezet. Zoveel zelfkritisch vermogen heb ik wel. In het verlengde daarvan durf ik te zeggen dat wij meer punten hadden gehaald als alle spelers die zelfkritiek aan de dag hadden gelegd.''

Bunnik kan die woorden beamen. ,,Ik las laatst een interview met oud-voetballer Jan Mulder. Die stelde dat hij tijdens zijn loopbaan voldoende coaches en bestuurders had meegemaakt die hij niet leuk, lief en aardig vond. `Maar ik ben professional, dus kon daar mee leven', voegde hij daar aan toe. In het hockey daarentegen vinden we dat we professioneel bezig zijn, maar een professionele houding? Ho maar.''